|
|
 |
|
SAMENVATTINGEN THESES
|
We geven hier een samenvatting van theses die tijdens een openbare zitting werden voorgelegd, verdedigd en door een internationale jury aanvaard.
Deze theses kunnen, ter inzage, bekomen worden bij het secretariaat van BELSO.
Vraag de voorwaarden en de procedure hiervoor op info@belso.be
|
| Titel |
Het belang van de bovenste thoraxappertuur voor de drainage van de bovenste ledematen |
| Auteur |
Bollen Bert |
|
Het objectief van dit werk is de invloed van de bovenste thoraxapertuur op de drainage van de bovenste ledematen na te gaan. We hebben daartoe zowel de anatomische en biomechanische eigenschappen als de neurovegetatieve aspecten van deze regio nagegaan. Vervolgens hebben we getracht de conclusies van onze theoretische studie te staven via metingen van de bloeddruk en de hartfrequentie vóór en na een osteopathische behandeling ter vrijmaking van de bovenste thoraxapertuur.
De bovenste thoraxapertuur is een anatomisch zeer belangrijke en niet eenvoudige regio. Een kleine afwijking van de biomechanica in deze regio kan de structuren, en de functionering ervan, negatief beïnvloeden.
Een negatieve invloed op de plexus brachialis kan een verstoorde spierwerking van de bovenste ledematen veroorzaken, met een verminderde werking van de spierpomp tot gevolg en een verminderde veneuze terugvloei en/of lymfestroom.
De mm. scaleni, die eveneens geënerveerd worden door de plexus brachialis, vertegenwoordigen misschien wel de belangrijkste spiergroep van de bovenste thoraxapertuur en van de halsregio. Een spasme van deze spieren kan leiden tot een scalenussyndroom of een compressie van de vena subclavia tussen de eerste rib en de clavicula. Er kan ook een belemmering ontstaan ter hoogte van de venenhoek, waardoor de lymfestroom zich niet optimaal kan storten in het veneus systeem.
De werking van het diafragma, welke alle stromen in het lichaam beïnvloedt, kan verstoord worden, dit door de relatie van de n. phrenicus met de m. scalenus anterior.
Spanning van de halsfasciën ten gevolge van een biomechanisch probleem belemmert de doorstroming in heel deze regio.
In dit proefschrift vertegenwoordigt het ganglion stellatum het belangrijkste neurovegetatieve element. Het is immers de voornaamste bron van sympathische vezels voor het aangezicht en de bovenste ledematen. Het prikkelen van de (ortho)sympathicus, via het ganglion stellatum, heeft een verhoogde hartfrequentie, een verhoogd slagvolume en een vasoconstrictie van de vaatwand tot gevolg. Dit veroorzaakt op korte termijn een verhoging van de arteriële bloeddruk en van de lymfatische circulatie.
Wanneer we echter de effecten van een ganglion stellatum blokkade bekijken, zijn de resultaten uiteenlopend. Weliswaar wordt er aangenomen dat er een verlaging van de autonome cardiovasculaire activiteit optreedt
Theoretisch kunnen we besluiten dat een correcte biomechanica van de bovenste
thoraxapertuur het functioneren van de structuren ten goede komt en dat zij garant staat voor een goede drainage van de bovenste ledematen. Het opheffen van spanningen en het vrijmaken van blokkades ter hoogte van de thoracic entry is een must om een goede doorstroming te vrijwaren. Als we daarbij, via het ganglion stellatum, de orthosympathicus stimuleren, dan zal de drainage in de bovenste ledematen toenemen.
In ons onderzoek hebben we voor het vrijmaken van de bovenste thoraxapertuur gebruik gemaakt van osteopathische technieken, waaronder een manipulatie van de cervicothoracale overgang. Er wordt algemeen gesteld dat deze manipulatie een orthosympathische stimulatie veroorzaakt via het ganglion stellatum. Door meting van bloeddruk en hartfrequentie hebben we getracht deze stelling te bevestigen.
De resultaten van onze metingen zijn verrassend, daar de diastolische bloeddruk en de hartfrequentie dalen, terwijl de systolische waardes toenemen. Dergelijke vaststelling is tegengesteld aan hetgeen men zou verwachten.
We kunnen dus voornoemde algemeen aanvaarde stelling niet bevestigen, alleszins niet wat betreft de korte termijn effecten van de manipulatie.
Heeft het vrijmaken van de cervico-thoracale overgang dan een negatieve invloed op de drainage? Zeker niet! Onze metingen tonen enkel de korte termijn effecten aan (max. 3min), maar niet de effecten op een langere termijn.
Uiteindelijk kunnen we besluiten dat de bovenste thoraxapertuur van groot belang is voor de drainage van de bovenste ledematen. De minste blokkade of afwijking van de goede biomechanica van deze zone kan leiden tot een verstoring van de drainage. Een manipulatie van de cervico-thoracale overgang veroorzaakt volgens ons onderzoek niet direct een stimulatie van de sympathicus, maar ze is wel nodig om bewegingsbeperkingen van de bovenste thoraxapertuur te normaliseren ten einde zo een optimaal mogelijk functionerend lichaam te bekomen. En dat is waar osteopathie voor staat!
|
| Titel |
L’Ostéopathie tissulaire chez le nourisson |
| Auteur |
Carlier Ludivine |
|
Deze verhandeling is bedoeld om informatie te verschaffen over de osteopathische benadering van zuigelingen, een weefselbenadering die is ontwikkeld door de osteopaat Pierre Tricot.
De verhandeling wordt gesteund door diverse wetenschappelijke onderzoeken.
De benadering wordt gekenmerkt door de aandacht voor het celbewustzijn.
Palpatie is onze methode om met deze bewuste cellen te communiceren.
De subjectieve parameters van onze palpatie worden uiteengezet: aanwezigheid, aandacht en intentie.
Ook de objectieve parameters worden gedefinieerd: dichtheid, druk en snelheid.
Diverse etiologieën komen uit op energie retentie, of anders gezegd: mobiliteitsverlies, non-communicatie.
Als osteopaat hebben wij als doel dit overschot aan energie of deze te snel opgeslagen energie door beweging vrij te doen komen.
Een zuigeling is een emotionele spons die in diverse ontwikkelingsstadia blootstaat aan spanning. Groei is al zo'n spanningsbron, want de mobiliteit wordt erdoor beperkt. Daarbij komen dan de trauma's, stress en stofwisselingsproblemen die het leven met zich mee kan brengen.
Deze retentie heeft op korte, middellange en lange termijn talrijke consequenties voor de baby.
In deze afstudeer scriptie wordt ingegaan op aan de zuigeling aangepaste weefseltechnieken.
Ik vind deze osteopathische benadering bijzonder holistisch, want ze neemt de drie polen ven het Individu in aanmerking: de fysieke, de psychische en de spirituele pool.
De weefselbenadering is een unieke aanpak binnen onze osteopatische behandeling. Ze is zeker niet de enige techniek.
|
| Titel |
De invloed van de behandeling van de dura mater op de lumbale wervelzuil |
| Auteur |
Limpens Yves |
|
In deze thesis bestudeer ik de invloed van de behandeling van de dura mater op de wervelzuil, en meer in het bijzonder op de lumbale wervelzuil. Naast de parietale, viscerale en craniale osteopathie wou ik het effect bestuderen en onderzoeken van de durale membranen op de gezondheid, de pijn en het algemeen welbevinden van de patienten.
In het theoretisch gedeelte (hoofdstukken 1-6) wordt een overzicht geschetst van het verloop van de craniale en spinale meningen, waarbij ook kort wordt stilgestaan bij de belangrijkste functies van het liquor cerebrospinalis. Verder komt de invloed aan bod van externe factoren, zoals spieren, ligamenten en lichaamsfascien en articulaire bewegingsbeperkingen op het cranio-sacraal systeem. Vervolgens worden de verschillende behandelmethodes aangehaald die een effect hebben op de dura matermembranen.
In het praktisch gedeelte (hoofdstuk 7) worden achtereenvolgens de patiëntengroep nader omschreven, de meetmethode toegelicht en de meetresultaten besproken per aard van behandeling (craniaal, sacraal en coccygeaal).
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de 3 behandelmethodes hun nut hebben bewezen. AI deze behandelingen hebben een positieve invloed zowel op de mobiliteit als op de pijnsensatie van de patiënt. De mate en de duur hiervan variëren echter. Zo heeft de behandeling van de craniale meningen het minst effect op de pijnsensatie ter hoogte van de lumbale wervelzuil. De behandeling van het os coccygis is qua vermindering van de pijnsensatie het meest effectief en houdt het langste aan. De effecten van de behandeling van het os sacrum liggen er tussenin met als nadeel dat de mobiliteit van het sacro-iliacaal gewricht en de meetresultaten kunnen worden beïnvloed.
Een eventuele manipulatie nadien zal gemakkelijker zijn vermits de patiënten meer ontspannen zijn.
Kritische bedenking: de meetmethode vergt een continue medewerking van de patiënt, die een variabele factor vormt voor de meetmethode.
Samengevat kan men stellen dal men het cranium, het sacrum cf de coccys als hefboom gebruikt cm de dura mater te behandelen. Dit komt de mobiliteit, de doorbloeding, enz. kortom het algemeen welzijn van de patiënt ten goede.
|
| Titel |
Etude statistique mettant en relation des lesions de la S.S.B. et des pathologies psychiatriques, proposition de traitement |
| Auteur |
Burgio Frédéric |
|
Dit werk werd gerealiseerd met als doel het nut van osteopathie in de verzorging van psychiatrische patiënten, proberen aan te tonen, met behulp van een statistische studie van het verband tussen SSB-letsels en psychiatrische aandoeningen.
Na eerst gedurende 8 jaren in de psychiatrie te werken in de afdeling kinesitherapie en later in een verzorgingseenheid en persoonlijke verzorging, ben ik mij gaan afvragen of een andere benadering van de patiënt vanuit een osteopathische visie en een aangepaste behandeling vanuit hetzelfde oogpunt niet zijn plaats zou kunnen hebben in zulk een ziekenhuis. Het lijden van de patiënten was er zo groot en zo verscheiden als deze die men terug vindt in de somatische eenheden.
De psychiatrie is een medische afdeling die nog in volle evolutie is en nog zo weinig gekend dat zij moet onderzocht worden met alle middelen binnen ons bereik.
Om uiteindelijk een relatie te vinden en het nut tussen osteopathie en psychiatrie hebben wij de hypothese naar voren gebracht van een verband tussen psychiatrische aandoeningen en een osteopathisch hoofdletsel van het type SSB.
Om deze relatie beter te begrijpen eventueel een rappel van de schedelanatomie, van primaire ademhalingsbewegingen, psychiatrische aandoeningen en osteopathische letsels, zijn uiteengezet. Maar ook de uitgevoerde procedure om de psychiatrische aandoening te determineren wordt uitgelegd
De statistische studie is gevoerd op 60 onderwerpen, 30 voortkomend uit de psychiatrie en 30 andere, volgens een zeer precieze operatieve manier.
De doelen waren: ten eerste aan te tonen als er een correlatie was tussen psychiatrische aandoeningen en SSB-letsels, het antwoord was positief en representatief. Ten tweede een relatie teweegbrengen tussen SSB-letsels en verschillende types van psychiatrische aandoeningen steekproefsgewijs. Na uitsluiting van twee aandoeningen waarna het aantal patiënten niet meer voldoende was om redelijke conclusies te trekken, hebben we geconstateerd dat, weliswaar niet representatief, 62 % van de geteste patiënten lijdend aan depressie eveneens leden aan een SSB-letsel en dat voor de geteste patiënten door schizofrenie getroffen, het zijn de letsels Vertical Strain die het meest aanwezig zijn met een overwicht van 39 % lage vertikale Strain tegen 23 % hoge vertikale Strain.
Ten slotte werd een voorstel van type behandeling voorgesteld met enkele belangrijke aanbevelingen betreffende een operatieve manier ter benadering van deze patiënten die lijden aan psychologische aandoeningen.
|
| Titel |
De relatie tussen mondbeugels en statiek |
| Auteur |
De Vos Piet |
|
Bestaat er een verstoring in de statiek en het afrolpatroon bij patiënten die een mondbeugel dragen?
De verschillende onderzoeksresultaten werden naast mekaar gelegd om na te gaan welke factoren aan mekaar gekoppeld konden worden.
-Er werd nagegaan of er een verband was tussen de types van Barré en de veranderingen in statiek en dynamiek. .
-Er werd nagegaan of statiek en dynamiek in relatie stonden met mekaar.
-Er werd nagegaan of bepaalde beugeltypes in relatie stonden met het al dan niet veranderen van
de statiek en dynamiek.
.Er werd eveneens nagegaan of er een verschil was in deze gegevens voor en na de behandeling.
Bij alle patiënten werden significante veranderingen in statiek dynamiek waargenomen. De aangehaalde vergelijkingen waren echter zeer uiteenlopend.
Zo verbeterde bij sommige patiënten de statische component terwijl het dynamisch aspect afnam in kwaliteit. Omgekeerde en andere combinaties kwamen eveneens voor zonder dat er één constante echt in het oog sprong. Dit heeft vooral te maken met het zoeken naar nieuw evenwicht van de patiënten onmiddellijk na de behandeling.
Empirisch kunnen we wel stellen dat patiënten de beugel beter verdragen en dat de behandeltijd drastisch kan worden ingekort door de patiënt osteopathisch te gaan behandelen.
Door de grote diversiteit aan gegevens (zoals type beugel, tijdstip van aanmeting) is een statistisch besluit trekken echter niet mogelijk. Verder onderzoek lijkt zeker nodig omdat er zich toch telkens belangrijke veranderingen voordeden na de behandeling.
Bij het standaardiseren dient men dan echter wel aandacht te besteden aan volgende punten:
.Het tijdstip van plaatsen en het type beugel, het al dan niet dragen van steunzolen.
-De meting dient voor en na het plaatsen van de beugel te gebeuren.
-De meting dient men eveneens na enkele weken te herhalen omdat er, zoals eerder
vermeld, steeds een zoeken naar nieuw evenwicht is onmiddellijk na de behandeling.
-Is het realistisch om een gestandaardiseerd onderzoek op te stellen waarin zoveel
verschillende gegevens aan bod komen.
-In welke mate speelt de externe factor (beugel) een rol in het herstel van de normale homeostase?
Verder onderzoek naar oorzaak-gevolg kettingen en multidisciplinaire aanpak zal zorgen voor een kwalitatieve verbetering van onze behandeling.
De behandeling van deze patiënten is voorlopig nog gebaseerd op het klinisch onderzoek en de anamnese. Deze dienen dan ook zeer precies uitgevoerd te worden. Grondige kennis van anatomie, fysiologie en biomechanica maken dat we als therapeut de patiënt met een holistische visie kunnen benaderen. Dit vereist heel wat inspanning van de therapeut maar zal de kwaliteit van de behandeling en de tevredenheid van de patiënt ten goede komen.
|
| Titel |
Rol van het os cuboïdeum en naviculare in het ontstaan van oorzaak-gevolgketens |
| Auteur |
Lowette Dimitri |
|
In de sport is er een tendens waarbij blessurepreventie als maar meer aandacht krijgt. De preventie
van blessures is niet enkel een prioriteit van grote en goed gestructureerde clubs, maar stilaan sijpelt het belang hiervan ook door tot de lagere provinciale niveaus.
In het kader van deze blessurepreventie kunnen we vaststellen dat de blessure-incidentie het hoogst is in de leeftijdscategorie van 16 tot 19.jaar. Dit lijkt uiteraard te verklaren door de krachtstoename na de groeispurt terwijl groeistoornissen zoals ziekte van Sever en Osgood Schlatter eerder bij U13 tot U 15 voorkomen.
In dit werk wil ik daarom nagaan in welke mate de blessure-incidentie gekoppeld is aan de leeftijd en welke andere factoren een manifeste rol spelen bij het ontstaan van deze blessures. Zoals daar zijn afwijkingen in looptechniek.
Daarom moeten we ons de volgende vragen stellen:
1) Is er een relatie tussen blessure-prevalentie en leeftijd bij jonge voetballers?
2) Is er een hogere blessure-incidentie, bij spelers met een doorgezakt cuboid- naviculair complex?
3) Is er een relatie tussen het doorgezakt cuboid-naviculair complex en de exorotatie van het
dominante been?
4) Kunnen we door de behandeling van het cuboid- naviculair complex een positieve bijdrage leveren
in het voorkomen van blessures ter hoogte van de onderste extremiteiten?
Om dit onderzoek vorm te geven heb ik gedurende één seizoen (2009/2010) 99 jonge voetballers gevolgd die onderverdeeld werden in twee subonderzoeken. Één met als doel de blessure incidentie in relatie tot de leeftijd in kaart te brengen. Hierbij wil ik eveneens, de blessure incidentie van het oorzakelijk ingezakt cuboid-naviculair complex in relatie tot het gevolgletsel nl. de exorotatie van het aangedane been, nagaan.
Bij het tweede subonderzoek gaan we na of ik als osteopaat een preventieve rol kan spelen bij het voorkomen van blessures die voorvloeien uit ingezakt cuboid-naviculair complex en de daaruit voortvloeiende opstijgende oorzaak gevolg keten.
De conclusie uit het eerste subonderzoek is dat er bij jonger voetballers U13 tot U16, een beduidend lagere blessure-incidentie is maar dat het aantal blessuredagen per blessure betrekkelijk hoog is. Naarmate dat de spelersgroepen ouder worden U17 tot 18+ zien we de incidentie toenemen maar het aantal blessuredagen per blessure afnemen.
|
Aantal blessures per
speler |
Aantal blessuredagen
per speler |
Aantal blessuredagen
per blessure |
|
11-13 jarigen
|
0,44 |
12,56 |
28 |
| 14-15 jarigen |
0,75 |
20,70 |
27,07 |
| 16-17 jarigen |
0,63 |
8 |
12,90 |
| 18+ |
1,08 |
16,04 |
15,16 |
Bij de afwijkingen van het looppatroon kunnen we een gelijkaardige tendens vaststellen. Zo is er bij
spelers zonder afwijkingen in het looppatroon een lage incidentie maar met een lange blessuretijd. Dit in tegenstelling tot spelers waarbij er zowel een statische als een dynamische afwijking vast te stellen is. Ook daar is de blessure-incidentie hoog maar de gemiddelde blessuretijd per blessure relatief laag.
Statisch/
dynamisch |
Aantal spelers |
blessures |
gekwetsten |
blessuredagen |
| G/G |
20 |
3 |
3 |
258 |
| G/F |
26 |
11 |
9 |
366 |
| F/G |
12 |
16 |
8 |
211 |
| F/F |
31 |
36 |
19 |
522 |
Blessure-incidentie bij afwijkingen van het looppatroon
Statisch/
dynamisch |
Aantal blessures
per speler |
Aantal blessuredagen
per speler |
Aantal blessuredagen
per blessure |
| G/G |
1,15 |
12,8 |
86 |
| G/F |
0,42 |
14 |
33 |
| F/O |
1,3 |
17,5 |
13,1 |
| F/F |
1,16 |
16,8 |
14,6 |
Blessure-incidentie bij afwijkingen van het looppatroon
Bij beoordeling van de retrospectieve resultaten uit het tweede subonderzoek, kan ik niet duidelijk spreken van een significant verschil tussen de behandelde groep en de controle groep. Er is wel een kleinere blessure incidentie van 10%, in de behandelde groep ten opzichte van de niet behandelde groep. Maar de relevantie hiervan is eerder beperkt gezien het maar om een verschil van één persoon gaat. Dit geeft ongetwijfeld een verkeerd beeld naar blessure incidentie en gemiddelde Blessure-duur.
Hierbij moet er rekening gehouden worden dat de twee groepen eigenlijk te klein zijn om een betrouwbaar resultaat neer te zetten.
De enige conclusie of bedenking die we uit deze resultaten kunnen afleiden is dat zowel het oorzakelijke als het gevolgletsels van het benaderde cuboid naviculair complex minder zou doorwegen in de blessureincidentie, dan wel de sportspecifieke adaptieve exorotatie van het dominante onderste lidmaat.
Om hier een beeld over te krijgen zou het onderzoek eigenlijk herhaald moeten worden met de nadruk op het verschil in de blessure incidentie tussen het dominante en het niet dominante been al dan niet in relatie tot de adaptieve exorotatie.
Verder zou men de sport best een continue registratie van blessures, herstelperiode, beschikbaarheid van de spelersgroep in relatie tot risico profielen van verschillende parameters bijhouden, zoals daar
zijn: ondergrond, schoeisel (stuts), training- of wedstrijdfase maar ook revalidatie kost enz.
|
| Titel |
Influence de l'ostéopathie sur l'agitation nocturne |
| Auteur |
Hernalsteen Alain |
|
Aanwezige bijzondere staat bij alle zoogdieren, is de slaap, gekenmerkt door de opschorting van de bewuste activiteiten, een levensbehoefte bij de mens: in geval van verlengd ontberen van slaap kan de afloop fataal zijn.
Volgens het ostéopathisch concept dat door Caporosi R. wordt verdedigd en bepaalde neurophysiologisten, zou de slapeloosheid met het verschijnsel van “hyper-éveil”, een wanverhouding van het vegetatieve zenuwstelsel verband houden, dat bij de slapelozen door hyperactiviteit van het sympathisch zenuwstelsel ten koste van het parasympathisch zenuwstelsel tot uiting komt. Ostéopathie zou de overname van het vegetatieve systeem normaliseren door zijn twee componenten weer in evenwicht te brengen.
Het doel van dit werk is te proberen om te bewijzen dat schedelostéopathie een positieve invloed op de slaap kan hebben. Het polysomnographische apparatuur niet tot mijn beschikking hebbende, heb ik een schaal van evaluatie van de opwinding die met 0 tot 4 trapsgewijs wordt gedaan, gecreëerd. Een subjectieve evaluatie naderhand (de volgende dag) werd op 4 periodes van de nacht verwezenlijkt. Dertig patiënten werden 1 nacht vóór de behandeling en 15 nachten daarna getest. De behandeling die voor het experiment wordt gekozen, is een geheel van specifieke technieken die de schedelcentra, parasympathische componenten beïnvloeden. Bijzondere aandacht werd aan het temporele been door de correctie van zijn spillen volgens Gehin geschonken.
Van zijn centrale positie, zijn veelvoudige hechtingen en spierintegratie, de mobiliteit van het temporele been is voetsteun van de schedelmobiliteit. Bovendien projecteert het temporele been zich tijdelijk, zijdelings op nabije diencencephalon structuren of aan het contact van de 3de hersenkamer, verantwoordelijke voor de slaap: de voorste hypothalamus, de epifyse, de thalamus.
Na afloop van het experiment, hebben de meerderheid van de patiënten een verbetering van de kwaliteit van hun nachten gehad. Een vermindering van de nachtopwinding is bij 66,66% van de patiënten vastgesteld (2/3). Enkel 1/3 van de patiënten (33,33%) zagen hun onrust verhoogd. Op de volgende grafiek die de evolutie van het onrustgemiddelde van de 30 onderwerpen vertegenwoordigt, is het duidelijk dat er een vermindering van de opwinding is door als waarde het opwindingsniveau van de vorige dag en het gemiddelde van de opwinding van de dagen te nemen die de behandeling volgen. Deze vermindering wordt door de curve van afnemende tendens gecorreleerd (Y= -0,0124).

De grafiek: evolutie van het gemiddelde van de onrust van nacht 1 (test) tot nacht 16.
Het maximum van doeltreffendheid bevindt zich in de 13de nacht maar een zeer nette daling van onrust benadeeld de doeltreffendheid van de tweede nacht van de behandeling na 48 uur. Daarentegen is de onrust hoger de 5de nacht dan voor de behandeling; een effect "reactie" dat vervolgens verzacht door een dalende sinusoïdale curve te vormen.De conclusies die men na afloop van dit werk kan trekken zijn:
-Schedel ostéopathie verlaagt de drempel van sympathische activering.
-Deze bewering is gecorreleerd door een doeltreffendheid op de slapeloosheid in de
meerderheid van de gevallen (2/3).
-Zijn doeltreffendheid is progressief maar aanhoudend op middellange termijn (15 dagen).
|
|
|
THESES 2008
|
| Titel |
La Constipation chronique: une approche ostéopathique |
| Auteur |
Deneyer David |
|
In het westelijk halfrond lijdt één persoon op vijf aan chronische verstopping.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie wordt een chronische verstopping omschreven als een ontlasting met een frequentie van minder dan drie per week over een duur van verscheidene weken of zelfs enkele maanden.
In mijn praktijk heb ik gemerkt dat een groot aantal patiënten hun probleem van verstopping als ‘onvermijdelijk’ zijn gaan aanvaarden.
In dat licht heb ik besloten een osteopatische behandeling van de chronische verstopping voor te stellen.
Dit proefschrift begint met een theoretisch deel dat de anatomie en de fysiologie van het spijsverteringsstelsel beschrijft.
Er werd voor deze studie een groep van dertig patiënten samengesteld die door hun huisarts als chronisch verstopte patiënten werd beschouwd.
De patiënten ondergingen een volledig anamnese, een totaal klinisch onderzoek en de behandeling van de letsels gevonden bij dit onderzoek. Daarna werd een specifieke therapie voor een chronische verstopping uitgevoerd ingrijpend op het centraal en neurovegetatief zenuwstelsel, op de circulatie, op de parietale stucturen en op de mobiliteit en de motiliteit van het colon.
Ook werden maatregelen voor de algemene en specifieke levenshygiëne aangeraden.
De patiënt kreeg een fiche voor het toezicht van de behandeling waarop hij het aantal ontlastingen per week noteerde.
De patiënt kreeg drie behandelingen in een periode van acht weken.
Bij de analyse van de resultaten, waren 56,6 % van de patiënten niet meer chronisch verstopt bij een controle vier weken na het stopzetten van de behandeling.
Bij 26,6 % van de patiënten hebben we een verbetering opgemerkt de week die op een behandeling volgde.
Daarna, kwam de verstopping terug, ik heb ze dus beschouwd als patiënten die een langer volgehouden behandeling nodig hebben.
Tot besluit kunnen we stellen dat een osteopatische behandeling bij 83,2 % van de patiënten positief kan inwerken en dit op korte of op langere termijn.
Als we de lichamelijke, sociale en psychologische problemen van de chronisch verstopte patiënten kennen, is dit resultaat niet te verwaarlozen.
De osteopathie zal dan ook als algemene therapie, met succes, op deze pathologie toegepast kunnen worden.
|
| Titel |
Prostatisme bij wielrenners-biomechanica en osteopathische visie |
| Auteur |
Soil Gerd |
|
De uitdieping van deze materie op osteopathisch gebied gaf ons de mogelijkheid een ruimere visie te ontwikkelen over een item dat anders enerzijds zo goed als niet kan behandeld worden vanuit de klassieke kinesitherapie, anderzijds vaak medisch beperkt behandeld wordt via medicamenteuse of uiteindelijk operatieve weg.
Via onze jonge ervaring als kandidaat-osteopaat merkten we toch dat de aangereikte technieken vaak een oplossing, zoniet een vermindering der symptomen kunnen bieden.
Niet alleen zal de renner zich beter voelen, ook zullen zijn prestaties op de fiets vooruit gaan.
Dankzij normalisaties van zijn hormonale, diafragmale, parietale en vasculaire processen kan de osteopathische behandeling van niet-carcinogeen prostatisme enkel maar hulp bieden.
Ernstige adenomateuse aandoeningen zullen echter minder succesvol behandeld kunnen worden en doorverwijzing naar een arts vergen.
Tevens zullen we bij geslaagde benadering van prostaatlijden enkel maar een betere band en vertrouwen scheppen tussen therapeut en patient, zeker gezien de taboe-achtige sfeer omtrent prostatisme.
Van belang is het te weten dat de in dit werk besproken externe behandeltechnieken van cruciaal belang zijn, dit als voorbereiding, aanvulling en vergemakkelijking van de noodzakelijke interne normalisatie.
Ondanks de niet altijd even happige patient voor rectaal touché kunnen we nu éénmaal geen volledige behandeling uitvoeren via externe weg.
Interne behandeling is noodzakelijk voor een direct en volledig bewegingsherstel van de prostaat en zal als dusdanig ook gemotiveerd worden bij de patient.
Eveneens ondervonden wij (en niet alleen in deze materie) dat een gezonde, evenwichtige voeding levensnoodzakelijk is voor een optimale fysiologie van het menselijk lichaam, des te meer bij de aanpak van abdominale, hormonale en chronische pathologie.
|
|
|
THESES 2007
|
|
|
| Titel |
Een Osteopathisch inzicht van Fibromyalgie. Welke rol heeft de Hepar hierin? |
| Auteur |
De Blander Elke |
|
Reeds van bij de aanvang van mijn studies heeft fibromyalgie mijn bijzondere interesse opgewekt. Aangezien in onze maatschappij fibromyalgie nog steeds aanzien wordt als een ziekte die in het “hoofd” zit en op héél wat onbegrip stuit was het voor mij een uitdaging om dit verder uit te diepen. In deze thesis heb ik getracht de uitwerking van specifieke osteopatische technieken van de hepar aan te tonen bij patiënten met fibromyalgie. Ik maak een onderscheid in een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het doel van het theoretisch gedeelte is een inzicht te krijgen in de pathologie met daaraan gekoppeld de osteopatische benadering van de hepar.
Ik heb in deze studie mij specifiek gericht op de hepar maar het is van groot belang dat ook andere niveau’s worden behandeld.
Praktisch werd elke patiënt éénmaal per week behandeld (pariëtaal-visceraal-craniaal) met een tussen periode van drie weken. Daarnaast kregen zij ook een specifiek voedingsschema.
Bij aanvang van de behandeling werd er een bloedstaal genomen waarin en aantal parameters werden gecontroleerd. Besluiten werden getrokken uit een vergelijking van de bloedstalen genomen bij aanvang en het “afsluiten “ van de therapie. In de statistieken zien we een gunstige evolutie van de parameters. Men dient zich te realiseren dat fibromyalgie een complex gegeven is waarbij we als osteopaat de hepar gunstig kunnen beïnvloeden, maar het vergt medewerking en inzet van de patiënt. We kunnen hen adviseren war betreft het belang van de levenshygiëne, MAAR De patiënt moet dit ook naleven, wat in de praktijk niet altijd even gemakkelijk blijkt te zijn.
|
|
| Titel |
Les Lésions Ostéopathiques chez les joueurs de Volley Ball |
| Auteur |
Robillard Nicolas |
|
Volleybal is een collectieve sport die fysieke inspanning vraagt van hoge intensiteit op basis van sprongen en balslagen in offensieve of defensieve richting. Wij stellen een beschrijving en analyse van de fundamentele bewegingen voor, van het volleybal met een link naar de biomechanische osteopathie. Een vragenlijst naar de spelers toe, memoriseert de meest frequente laesies bij hun sportbeoefening. Wij stellen vervolgens een studie en osteopathische analyse voor van patellaire tendinopathie, die deel uitmaakt van één van de drie meest voorkomende laesies, teruggevonden bij 66 spelers in de nationale
divisie. Wij halen musculaire, osteo-articulaire hypotheses aan op basis van een primaire posturale keten of een basisevenwicht om deze pathologie uit te leggen. Via een biomechanische analyse en een spierketen interventie stellen wij een behandeling voor gebaseerd op een multidisciplinaire profylaxie.
|
|
| Titel |
Influence des techniques de normalisation des quatres diaphragmes sur le VEMS |
| Auteur |
Michel Duez |
|
Heeft osteopathie een werking op het VEMS door de normalisatietechniek van de vier diafragma's?
We hebben patiënten gevonden, die een VEMS toename vertoonden, andere patiënten daarentegen een vermindering en tenslotte een andere kategorie bij wie de technieken het VEMS niet of weinig hadden beïnvloed. We treffen VEMS verhogingen aan, vooral bij patiënten met weinig lichamelijke activiteit, die opgehouden hebben met roken, met overgewicht of met een tamelijk hoog stressniveau.
We hebben een mobiliteitsverlies van de verschillende diafragma's tengevolge van een spanningsonevenwicht ("kontraktuur"), tengevolge van regelmatig activiteitsverlies van de verschillende fascies die een rol spelen in de ademhaling, tengevolge ook van de positie van de buikingewanden, die een vermindering van de bewegingen van de diafragma's en een functioneringsverlies op het niveau van de diafragmazenuw veroorzaakt. We hebben ook twee gevallen van patiënten gevonden, die na de verschillende toegepaste technieken een VEMS vermindering vertoonden, vooral bij de patiënten zonder duidelijke diafragmaspanning. Mijn hypothese is dat we op inhiberende manier op de diafragmazenuw gewerkt hebben, daar die zenuw, vrij van alle spanningen, normaal functioneerde, Ga zelfs in stimulatiestand was).
Laten we niet vergeten dat we ons altijd in een normalisatielogica bevinden. Eindelijk, gevallen van patiënten die geen of weinig VEMS variaties vertonen. Dit zou kunnen worden verklaard door een al verworven relatief spanningsevenwicht van die verschillende diafragma's. Dankzij deze verhandeling dacht ik in het begin dat onze aktie noodzakelijk positief zou kunnen zij, door op de verschillende patiënten te werken. Daarbij verloren we uit het oog dat we op levende wezens werken ieder met hun specificiteit, hun verleden, hun eigen gezondheidstoestand.We stellen vast dat we op sommige patiënten een werking hebben. Het is interessant te weten op welke patiënten we het beoogde resultaat zullen bereiken. Het is aan ons de goede anamnese te doen, zowel als de nodige palpatie van de patiëntweefsels, die ons zal inlichten over zijn gezondheidstoestand, zelfs zijn huidige geestesgesteldheid (stress of geen stress).
Uit deze studie blijkt dat we door onze werkingen op de patiënt, lichamelijke reacties kunnen verwekken, die in intensiteit kunnen variëren. Onze taak is te bepalen wat we aan onze patiënten kunnen brengen, door als therapeut te proberen hen zo goed mogelijk te begrijpen.
|
|
| Titel |
Utilité de la Methode Chapman en Médecine Ostéopathique |
| Auteur |
Xavier Charlier |
|
De neuronlymfatische techniek van de Chapman punten werd al een eeuw geleden gecodificeerd. Ze is de voorloopster van de kinésiologie.
Deze techniek bestaat in 48 voorste punten, overeenkomende met achterste punten waarvan de localisatie moeilijk te vinden is. Haar aanwenden is daarentegen zeer gemakkelijk. Deze punten hebben een diagnostische werking, een therapeutisch en een prognosticerende rol.
De anatomo-fysiologische oorsprong van de punten is nog niet duidelijk gedefinieerd. Haar werkingswijze is beter gekend. Talrijke auteurs hebben belangstelling getoond en hebben daarover gepubliceerd maar schaars zijn de wetenschappelijke studies. Het doel van onze studie tracht de via klassieke behandeling gekregen klinische resultaten te vergelijken met Chapman; een onderling verband te brengen zoeken tussen de diverse diagnostische mogelijkheden van deze methode en ten slotte de door de auteurs beschreven localisaties te evalueren.
|
|
| Titel |
Incidence des techniques Ostéopathiques non invasives sur les troubles fonctionnels chez les patients souffrants d’hypertonie prostatique bénigne |
| Auteur |
Quenon Frédéric |
|
De voorliggende studie heeft ten doel de middel- en langetermijneffecten te meten van een met specifieke en niet-invasieve handtechnieken gekoppelde Algemene Osteopathische Behandeling (G.O.T., J. Wernham) op de symptomatologie en de levenskwaliteit van patiënten die aan Benigne Prostaat Hypertrofie (B.P.H.) lijden. Een groep van 14 mannen tussen 62 en 84 jaar met een (m.b.v. IPSS en QDV tests geobjectiveerde) gematigde BPH symptomatologie heeft een reeks van drie behandelingen ondergaan. Deze behandelingen zijn om de vier dagen ondergaan. Eenzelfde vragenlijst is door patiënten driemaal ingevuld: vóór de eerste behandeling, drie tot vier dagen na de voorgaande behandeling, en veertien dagen na de laatste behandeling. Een kleine groep van proefpersonen heeft deze vragenlijst ook beantwoord, maar deze patiënten hebben alleen maar een GOT ondergaan. Uit de resultaten blijkt er dat de bovenvermelde specifieke en complementaire behandelingen voor aanzienlijke verbeteringen hebben gezorgd. We stellen een verbetering van de symptomen voor 36% van de proefpatiënten vast plus een verbetering van de levenskwaliteit in 43% der gevallen.
Op korte termijn is onze actie op bepaalde symptomen doeltreffend geweest, en meer in het bijzonder op:
1) de dringende mictie in 62,5 % van de gevallen;
2) de zwakte van de urinestroom in 54,5 % van de gevallen;
3) de onderbreking van de urinestroom in 50 % van de gevallen
Op middeltermijn blijft onze actie voor een beperktere verbetering van de symptomen te zorgen, behalve voor:
1) de dringende mictie in 50 % van de gevallen;
2) de nycturie in 42,9 % van de gevallen;
3) de zwakte van de urinestroom in 36,4 % van de gevallen
De symptomen werden trouwens over het algemeen van 16,7 % tot 50 % verbeterd.Individueel genomen heeft de Algemene Osteopathische Behandeling (G.O.T.) blijkbaar geen of weinig effect op de symptomatologie. Het is dus misschien niet altijd noodzakelijk om endorectale technieken toe te passen om deze patiënten te behandelen. Bij talrijke patiënten met BPH kan de toepassing van een met niet-invasieve technieken gekoppelde G.O.T. behandeling voor een verbetering van de subjectieve symptomatologie zorgen.
|
|
| Titel |
Osteopathische benadering van vrouwen met relatieve infertiliteit |
| Auteur |
Van Cantfort Sandra |
|
Verminderde vruchtbaarheid of relatieve infertiliteit is een probleem dat steeds vaker voorkomt. Vaak zijn er al kinderen en heeft het koppel nog een kinderwens. Soms hebben de vrouwen al verschillende vruchtbaarheidsonderzoeken ondergaan en wordt er al dan niet een oorzaak aangetoond voor de verminderde vruchtbaarheid.
Het was voor mij persoonlijk een hele uitdaging om mij te verdiepen in deze materie en ik kan alleen maar zeggen: "Het was een leerrijk avontuur maar het probleem is zo allesomvattend dat je nooit volledig kan zijn. Vanuit ons osteopathisch denken mogen we relatieve infertiliteit niet alleen zien als een probleem ter hoogte van de uterus, de ovaria of de tubae uteri maar moet er rekening gehouden worden met de pariëtale structuren waarmee het gynaecologisch systeem zijn verbindingen heeft, met de andere viscera uit het kleine bekken, met de vascularisatie en met het endocrien en het neurovegetatief systeem. Pariëtaal zijn de mathematische lijnen belangrijk, evenals het sacrum, de ilia en de lumbale wervelkolom omwille van de rechtstreekse verbindingen met het gynaecologisch systeem. Visceraal moeten we het belang zien van de relatie van de uterus en zijn annexen met het peritoneum, de vesica en het colon. Restricties ter hoogte van het ligamentum latum laten hun invloed gelden op de mobiliteit van de uterus en hebben een invloed op de ovaria, de tubae uterinae en de vasculaire en nerveuse structuren die zich in het ligamentum latum bevinden en bij congestie verdrukt worden. Denken we aan "the arterial rule", één van de grondbeginselen binnen de osteopathie: "Levend weefsel moet continu worden verzorgd". Langs vasculaire weg kennen we de relatie tussen het gynaecologisch systeem en de nier. In de lever gebeurt de transformatie van cholesterol naar androgenen, oestrogenen en progesteron. We stuiten hier op het belang van een goede levenshygiëne. Via de craniale benadering trachten we een beter hormonaal evenwicht te creëren. Door de normalisatie van de membranen van wederzijdse spanning wordt het hypothalamus-hypofyse-systeem beïnvloed via het tentorium van de hypofyse. Via de core-link wordt het cranio-sacrale systeem beïnvloed. Articulair is op dit niveau het SSB en het os sphenoïdale primordiaal. Neurovegetatief zien we de invloed van de orthosympaticus via de plexus hypogastricus en het ganglion impar. Parasympatisch zijn er de "nerfs érecteurs d'Eckard". In het ganglion hypogastricus bevindt zich zowel parasympaticus als orthosympaticus. Door het koppel te informeren over de menstruatiecyclus en over de lichaamssignalen die tijdens deze cyclus kunnen geïnterpreteerd worden, leert de vrouw bewust om te gaan met haar eigen vruchtbaarheid. Vaak speelt bij de koppels een psycho-emotionele factor mee. De osteopaat kan in de eerste plaats een luisterend oor aanbieden, maar kan ook via de craniale benadering een invloed uitoefenen op het limbisch systeem. Zoals Jacques De Witte zo mooi zei: " De lever regenereert de psyche, de psyche regenereert de lever'. Levenshygiëne en een gezonde voeding is belangrijk. Verder ben ik overtuigd van de positieve invloed van Bachbloesemtherapie op de gezondheid. Ik hoop dat ik met dit werk heb kunnen aantonen dat de osteopaat een mooie bijdrage kan leveren in het behandelen van vrouwen met relatieve infertiliteit. Met osteopathie wordt de algemene homeostasie nagestreefd waarbij het lichaam zich in een toestand van dynamisch evenwicht bevindt. Naast de goede levenshygiëne van de patiënt en goede samenwerking met de andere hulpverleners (huisarts, gynaecoloog, vroedvrouw, Bachbloesemtherapeut,...) worden de kansen op een goede afloop nog vergroot.
|
|
| Titel |
Osteopatische behandeling na artroscopie van de knie |
| Auteur |
Patrick Lannoy |
|
Kan osteopathie een rol spelen in de behandeling van postartroscopisch oedeem ter hoogte van de knie? Kan men door gebruik van pariëtale, craniale en viscerale technieken de doorbloeding (aan- en afvoer) in die mate beïnvloeden dat ze een direct effect hebben op de zwelling van de knie? Dit waren de inleidende vragen tot het schrijven van dit bescheiden werk. Er werd een behandelingsprotocolopgesteld, waarin verschillende technieken geïntegreerd waren. Uiteraard zijn afwijkingen van dit protocol noodzakelijk als men de patiënt specifiek wil behandelen.
Het protocol werd onderverdeeld in twee delen. In de eerste fase wou men eerst een bevrijdend effect bekomen, met andere woorden eventuele spanningen afbouwen ter hoogte van belangrijke doorgangswegen van het arterieel -veneus en lymfatisch systeem in het menselijk lichaam. Er werd vooral de nadruk gelegd op het normaliseren van de vier diafragma's: craniaal, bovenste thoracaal apertuur, thoracaal en pelvisch diafragma. Vervolgens werden stimulerende technieken aangewend om de algemene circulatie te bevorderen. Het ging hier om verschillende pomptechnieken uitgeoefend op zowel het pariëtaal als het visceraal systeem. In totaal duurde deze behandeling 45 minuten. Positieveranderingen werden voor het comfort van de patiënt tot een minimum herleid. "High velocity techniques" (HVT) werden niet toegepast om eventuele postmanipulatieve complicaties te vermijden en de toegankelijkheid voor de patiënt, die soms weigerachtig staat ten opzichte van HVT, te vergroten. Twee patiënten werden aan dit behandelingsschema onderworpen. In het kader van het onderzoek werd de omtrek van de knie door middel van een meetlint op gestandaardiseerde plaatsen opgemeten. De metingen gebeurden vóór, na en 30 minuten na de behandeling. De resultaten werden ter vergelijking in tabellen geplaatst en procentueel met elkaar vergeleken.
Hieruit bleek dat de zwelling gemiddeld afnam met 1,31% tot 1,58% na de behandeling en met 1,94% tot 1,95% na een halfuur. Men zou hieruit kunnen besluiten dat de osteopathische totaal behandeling een gunstig effect had op de afvoer van veneus bloed en lymfe. Er dienen echter een aantal belangrijke opmerkingen gemaakt te worden. Vooreerst is dit een onderzoek op zeer kleine schaal met een beperkt aantal patiënten.
|
|
| Titel |
De osteopathische benadering van de anterieure cervicale regio bij cervicale klachten |
| Auteur |
Destrebecq Inge |
|
Het doel van deze thesis is de waarde van de behandeling van de anterior regio van de cervicale wervelzuil bij cervicale klachten aan te tonen. Het is inderdaad zo dat bij cervicale klachten de meeste pijnklachten en mobiliteitsbeperkingen zich aan de posterieure zijde van de cervicale wervelzuil bevinden. De meeste behandelingen die beschreven zijn in de literatuur bij cervicale klachten zijn dan ook technieken van de posterieure cervicale regio; mobilisatie en normalisatie van de cervicale wervels, soft-tissue-technieken zijn de meest voorkomende technieken die we terugvinden in de literatuur. In een eerste theoretische deel in dit werk bespreken we de belangrijkste anatomische structuren in deze anterior regio en hun relaties.
In het tweede praktische deel stellen we een aantal testen en technieken op die van belang zijn voor de behandeling van cervicale klachten. De testen en technieken zijn ons niet vreemd maar werden nog maar zelden in het kader van cervicale aandoeningen toegepast. De waarde van de technieken wordt getoetst bij een groep van 18 patiënten met cervicale klachten. Alle 18 patiënten worden initieel onderworpen aan de opgestelde tests. Een groep van 9 patiënten worden behandeld met technieken van de posterieure cervicale regio die ons bekend zijn. Een tweede groep van 9 patiënten wordt behandeld met de opgestelde technieken van de anterieure cervicale regio. Elke groep is nog eens onderverdeeld in 3 subgroepen naargelang de duur van de klachten; acute klachten, subacute klachten en chronische klachten. Deze 2 groepen worden onderling met elkaar vergeleken. Door de kleinschaligheid van dit onderzoek is het niet mogelijk om een statische conclusies te trekken.
Wat we uit dit onderzoek kunnen besluiten is dat alle patiënten met acute, subacute en chronische cervicale klachten die behandeld werden met de anterieure technieken duidelijk minder pijn vertoonden. Dat de opgestelde technieken van de anterieure regio minder goed scoren dan de gekende posterieure behandelingstechnieken maar zeker aanvullend kunnen zijn in de behandeling en het eindresultaat hierdoor positief kunnen beïnvloeden. We mogen daarbij niet vergeten dat deze selectieve behandeling van deze regio gebeurd in een tweede plaats, dat ze zeker deel moet uitmaken van een totale osteopathische conceptbehandeling en niet als enige technieken toegepast mogen worden. Ik heb zeker niet de pretentie om te beweren dat dit werk volledig is. Nog heel wat varianten van deze testen en technieken kunnen hieraan toegevoegd worden. Ik hoop hiermee enig inzicht gebracht te hebben in deze complexe regio. Voor mij staat het vast dat deze regio in de toekomst zeker meer aandacht krijgt in mijn behandelingen bij cervicale klachten.
|
|
| Titel |
Het fysiologisch effect van de endocriene behandeling op de bloeddruk |
| Auteur |
Bart Van Laethem |
|
Doel: In de osteopathie staat de totaal behandeling van het lichaam centraal, en wordt dan ook aanzien als een behandeling waarmee men de functie van het lichaam kan beïnvloeden, en zo pathologieën kan behandelen. In deze studie hanteer ik de endocriene behandeling om zijn normaliserend effect op de bloeddruk te bekijken. Dit alles op patiënten die niet medisch in behandeling zijn voor zowel een hyper- als hypotensie. Procedure: Dertig proefpersonen, willekeurig gekozen, zowel mannen als :vrouwen, werden in drie groepen ingedeeld: een groep van 10 personen die alle behandelingen voorgesteld in de endocriene behandeling heeft gekregen, een groep die alle endocriene behandelingen heeft gekregen behalve alle craniale technieken, en een laatste groep die alle behandelingen heeft gekregen behalve alle pariëtale technieken (zowel soft tissue technieken, als high velocity technieken). Er werd gebruik gemaakt van een volautomatisch meettoestel om de bloeddruk objectief vast te stellen. Methodologie: Na het inbrengen van alle testresultaten in een excell-programrna werden deze statistisch verwerkt. Resultaten: Er werd een significante daling van zowel de systole als de diastole waargenomen bij de verschillende behandelingen. Het is wel zo dat de daling het grootst was bij de proefpersonen die geen pariëtale technieken (zowel high velocity-, als soft tissue technieken) hebben gekregen.
Bespreking: Ook al was de testgroep eerder klein en de uitvoering misschien niet als die van een ervaren osteopaat, toch werden er positieve resultaten geboekt met de endocriene behandeling. Voor alle groepen was er een normalisering van de bloeddruk. Daaruit mag men besluiten dat de endocriene behandeling een goede totaal behandeling is, voor de normalisatie van de bloeddruk, zoals het past in de filosofie van de osteopathie.
|
|
| Titel |
Le blocage hors système et ses conséquences sur la posture (verticale de Barré) |
| Auteur |
Christian Podlecki |
|
Het succes van een osteopatische behandeling hangt vooral af van de juiste diagnostiek. Onder de verschillende methodes die een osteopaat heeft om een diagnose te stellen vinden we de "verticaal van Barré"
Deze staat toe om de keuze van de techniek van de behandeling te oriënteren. Het gaat hier over een houdingstest uitgevoerd met een looddraad. Wetende dat de klassieke houdingstesten (Bricot -Willem) aangetoond hebben dat voor elke analyse dan ook het nodig is om de blokkades buiten het systeem op te heffen, heb ik besloten om na te gaan of deze blokkades een direct effect hadden op de verticaal van Barré en zo ja, of deze blokkades dan eerst opgeheven moesten worden alvorens deze test te kunnen gebruiken. Om dit na te gaan heb ik de volgende buiten systeem blokkades gecontroleerd: eerste rib, kop van de fibula, pubis, coccyx, psoas en pyramidalis. Ik heb daarvoor 40 gezonde personen onderzocht (20 meisjes en 20 jongens).
- Eerste stap: uitvoeren van de test met blokkades
- Tweede stap: blokkades opheffen en test herhalen
Conclusie: in 80% van de gevallen veranderde de uitslag van de test na de manipulatie. Naar aanleiding van deze resultaten werd een 2de onderzoek gedaan met 30 jongeren van ongeveer 20 jaar: een manipulatie ter hoogte van de dorsale of cervicale WK en het weer uitvoeren van de test. Op deze test veranderde slechts 10% van de uitslagen. Conclusie: enkel blokkades buiten het systeem hebben een direct verband met de verticaal van Barré. Deze moeten absoluut verholpen worden alvorens deze test als een diagnostische test te gebruiken
|
|
| Titel |
Justification de la vision holistique des patients |
| Auteur |
Frédéric De Vos |
|
In onze osteopatische praktijk komt de patiënt naar ons met een klacht of met andere woorden -een consultreden. Wat de patiënt verrast of soms wel stoort, is het feit dat onze aandacht niet op de eerste plaats uitgaat naar de zone waarvoor hij ons raadpleegt. Soms herinnert de patiënt ons bij de behandeling zelf aan de reden van zijn bezoek want hij ziet geen verband tussen zijn verzoek en onze behandelingswijze. Hij kan daarentegen ook gelukkig zijn omdat hij de pijnlijke zones in verband met elkaar kan leggen. Deze studie tracht de rol van de holistische visie van het lichaam te objectiveren tijdens de behandelingszitting. Is het nuttig deze globale diagnose te stellen om andere mechanische dysfuncties op te sporen, terwijl de pijnlijke zone welomschreven is? Na een herinnering aan het osteopatisch begrip en diens functiestoornis, probeert onze studie een antwoord te geven op enkele vragen:
1. Is de ZMC (Zone de Motif de Consultation) de zone waarvoor geraadpleegd wordt in dysfunctie?
2. Vindt deze zone haar oorsprong in the functie gestoorde keten?
3. Vertoont de oorsprong van de door onze tests aangetoonde functiegestoorde ketens wel dysfuncties?
4. Kan de behandeling van de veronderstelde voornaamste dysfunctie de functiestoornis elimineren van de zone waarvoor geraadpleegd werd?
5. Welke band maakt de autocorrectie mogelijk van de dysfunctionerende zone waarvoor geraadpleegd werd, na behandeling van de hoofddysfunctie?
|
|
| Titel |
Influence du cycle menstruel sur la mobilité pelvienne |
| Auteur |
Joël Atlas |
|
Als wij ons interesseren in het leven, dan moeten wij ons interesseren aan de vrouw; wat haar "dagelijks leven" is, wat haar ritme en haar cyclus zijn. Door de studie van de hormonale fluctuaties zien wij dat die invloed gaan uitoefenen op haar familiaal en liefdesleven, haar sociale en professionele gedragingen.
Met dit eindwerk zullen wij proberen de variaties aan te tonen van de pelvis mobiliteit tijdens de menstruele cyclus.
Drie verschillende testen zullen uitgevoerd worden. De eerste test gebeurt bij de aanvang van de menstruatie, de tweede tien dagen later maar vóór de ovulatie en de derde nog tien dagen
later in de post ovulatie of premenstruele fase.
Wij gaan ook proberen te bevestigen wat de populaire en osteopatische wijsheid laat
vermoeden: namelijk het beste moment om een behandeling uit te voeren is die van de pre-ovulatoire of postmenstruele periode.
Na enkele grondbeginselen op het gebied van anatomie, fysiologie en biomechanica en een
hoofdstuk betreffende de implicaties van de hormonale variaties zullen wij aantonen welke test het meest adequaat zal zijn om de metingen te kwantificeren.
De gemodificeerde test van Schöber uitgevoerd op de drie verschillende periode hierboven vermeld gaat aantonen na een statistische studie dat de vrouw het meest van haar mobiliteit verliest de eerste dag van haar regels dwz in haar menstruele fase.
Wij gaan twee verschillende groepen bestuderen: een eerste groep samengesteld met vrouwen die menstruatie rijp zijn en een tweede met vrouwen die in de menopauze zijn of volledig menstruatievrij zijn
In een verdere bespreking gebaseerd op de studie van deze twee groepen zullen wij bewijzen dat de groep samengesteld met menstruatierijpe vrouwen een variatie aantoont van de pelvis mobiliteit die niet terug te vinden is bij de andere groep.
Met de resultaten van deze studies tonen wij ook de grenzen aan van dit onderzoek en ook hoe men de toekomstige studies best kan oriënteren.
Zij stelt ook een manier om de patiënte te benaderen met de nadruk op de meest belangrijke factor: de vascularisatie en dus vóór alle andere behandelingen, de drainage van het kleine bekken en van alle omringende structuren.
|
|
| Titel |
Le traitement des membranes et diaphragmes crânio-sacrés : une première approche des migraines |
| Auteur |
Mike Schintgen |
|
Het doel van deze studie is de efficiëntie van de behandeling van cranio-sacrale membranen en diafragma's na te gaan bij migrainepatiënten.
Dit werk begint met een theoretische uiteenzetting betreffende de primaire respiratoire beweging, de symptomatologie van migraine, de anatomie, de osteopathische tests gebruikt voor het bilan en de gebruikte normalisatietechnieken. Na dit gedeelte volgt een praktisch deel met patiënten die leden aan migraine op het moment zelf, of die zich net voor een aanval bevonden of patiënten die regelmatige, snel op elkaar opvolgende migraine aanvallen hadden.
Mijn osteopathische benadering is gebaseerd op twee sessies met een interval van een week. Tijdens de eerste sessie stelde ik een algemeen osteopatisch bilan op, baserend op de verscheidene tests en vroeg ik elke patiënt een pijnevaluatie te maken aan de hand van een pijnschaal. Aan het einde van de eerste sessie voerde ik dezelfde behandeling van cranio-sacrale membranen en diafragma's uit op alle patiënten. Een week later, tijdens de tweede sessie, deed ik dezelfde tests om veranderingen na te gaan en vroeg ik de patiënten terug een pijnevaluatie te maken.
Na de presentatie en de interpretatie van mijn casussen besluit ik met enkele hypothesen en mogelijke verklaringen.
Als besluit kan ik bevestigen dat de osteopathische benadering van migrainepatiënten zich niet enkel beperkt tot en craniale, viscerale en structurele behandeling. Zelfs als elk van deze behandelingen de gezondheid status van de patiënt verbetert, realiseerde ik me dat men de patiënt als een geheel moet beschouwen en dat de osteopathie een holistische techniek is.
|
|
| Titel |
La normalisation de la relation crânio-sacrée influence-t-elle la statique |
| Auteur |
Samuel Christiaens |
|
In deze thesis hebben wij de uitwerking van de normalisatie van de relatie cranio-
sacraal op de statica willen evalueren. Enerzijds treffen wij in dit werk een eerste theoretisch deel aan, gewijd aan de statica, alsook aan de relatie cranio-sacraal.
Anderzijds hebben wij een praktisch deel gerealiseerd met statistische testen. Inderdaad, met behulp van een elektronische podometer van het type PEL-38, hebben wij metingen gedaan op een groep van vijftig personen tussen twintig en dertig jaar. De helft was van het vrouwelijk en de andere helft van het mannelijk geslacht. De selectie- en uitsluitingscriteria werden op punt gesteld voor de selectie van de deelnemende personen. Eveneens werden de criteria betreffende het studieprotocol gedefinieerd vóór de realisatie van deze testen.
Elk van deze vijftig patiënten werd op de podometer geplaatst, om zodanig hun afwijking van het zwaartepunt te evalueren. Wij hebben de tien patiënten met de meeste statische ontregeling geselecteerd. Zich baserend op de criteria van Gagey vertonen deze tien patiënten aan afwijkende statica. Voor ieder van deze patiënten, na een dubbel-blind evaluatie, stellen wij een asymmetrie in de amplitude en de bewegingstijd vast, hetzij op hoog of op laag niveau. Daarna hebben wij de techniek van de normalisatie van de relatie cranio-sacraal, op de tien geselecteerde personen toegepast, om uiteindelijk als dusdanig hun statica op platform te herzien, om zodoende gecijferde waarden te bekomen, vóór en na de behandeling.
Uit statistisch oogpunt hebben wij de F-test van Fischer gerealiseerd om de twee varianten te vergelijken, alsook de T -test van Student om de twee gemiddelden te vergelijken. Deze testen hebben ons toegelaten te beweren dat de "normalisatie van de relatie cranio-sacraal" geen statistische betekenisvolle invloed had op de statica. Het is dus niet relevant deze techniek toe te passen in de hoop een statische correctie te verkrijgen. Nochtans vind ik dat het nuttig zou zijn een experimentele klinische studie te realiseren door deze techniek in te
sluiten in het kader van een osteopathische, globale behandeling en opnieuw de uitwerkingen op de statica te observeren.
|
|
| Titel |
Les céphalées liées au cycle hormonal féminin: intérêt de l’ostéopathie en tant que thérapie holistique. Selon deux approches: classique et tissulaire |
| Auteur |
Yvan Thibaut |
|
Eerst definieer ik hoofdpijn en overloop ik de mechanismen die de pijn veroorzaken. Vervolgens omschrijf ik de anatomiefysiologie van de betrokken streken alsook de hormonale cyclus. Vervolgens geef ik het brede spectrum weer van mogelijke aanstekers: beenweefsel, endocrien, contraceptief, et vooral posturaaI (mathematische lijnen, spierkettingen van Godelieve Struyf Denis en van de Busquet, Dejamette,Chantepie...) Voor ik naar de praktijk overga, omschrijf ik de weefsel toenadering van P. Tricot zoals ook de technieken die in mijn behandeling gebruikt worden. In het praktische gedeelte omschrijf ik eerst mijn « modus operandi » en dan de twee behandelingsmethodes die ik op tien patiënten heb gebruikt (vijf met een klassieke toenadering van A.Chantepie en vijf met de weefseltoenadering volgens P. Tricot) Met behulp van een pijnschaal evalueer ik de verkregen resultaten. Mijn conclusie is dat de osteopathie, in deze twee toenaderingen (klassieke en weefsel), als holistische techniek bijzonder nuttig is. En dit zolang de therapeut rigoureus in zijn behandelingen is en in zijn methode vertrouwd.
|
|
|
|
|
|
| Titel |
De osteopathische benadering van liposuctiepatienten met voorafgaandelijke lever pathologie |
| Auteur |
De Bolle Jean-Pierre |
|
Uit dit onderzoek naar het verschil in behandelingsresultaten ter hoogte van het abdomen, meer bepaald met betrekking op de arterio-vascuiair-lymfatische (AVL) vascularisatie, tussen patiënten waarbij de lever behandeld werd met een osteopatische aanpak versus deze behandeld met een klassieke kinesitherapeutische aanpak, blijkt dat de anamnese en klinisch onderzoek naar pariëtale en viscerale klachten, van primordiaal belang te zijn in de behandeling van patiënten na liposuctie.
Een globaal onderzoek van de lever is des te belangrijker en aangewezen wanneer er een verstoorde of verzwakte leverfunctie aanwezig is.
Ostheopathisch behandelde patiënten met correctie van de pariëtale letsels vertonen reeds, na enkele behandelingen, een vermindering van de klachten en een volledig
herstel van oedeem.
Bij de patiënten behandeld volgens de klassieke technieken van de manuele lymfedrainage (MLD) bleven het klachten patroon en een minimaal oedeem bestaan. De progressie is véél langzamer en lijkt te stagneren door een minder goed functionerende lever.
De verdere progressie op langer termijn hangt nauw samen met het voedingspatroon en de leefgewoontes van de patiënt. Het naleven en zich gedragen naar het meegegeven voedingsadvies is van groot belang voor het verdere herstel van de patiënt.
Uit deze (subjectieve) resultaten blijkt dat de holistische aanpak bij patiënten met leverpathologie na vibro--liposculptuur nu reeds een positief effect geeft. Naar verder onderzoek toe, lijkt het aangewezen om de resultaten objectiever op te volgen door bvb. voorafgaandelijk aan het onderzoek reeds een aantal controleparameters vast te leggen die men dan na elke sessie kan meten.
|
|
| Titel |
De effecten van diafragmatechnieken bij hemiparesebeelden |
| Auteur |
Vincent REMUE |
|
Bij de aanvang van deze scriptie heb ik, omwille van zijn neurogene- en myofasciale
relaties, het diafragma weten te omschrijven als:
"Le grand CAESAR de notre corps"
Dit citaat weerspiegelt de belangen en de effecten bij een toegepaste diafragmabehandeling uitgevoerd tijdens de acute fase van het motorisch herstelproces bij hemiparese beelden. Het valt aan te tonen dat er positieve effecten te bespeuren zijn op klinische parameters, vitale capaciteit en trigger punten hetgeen gunstig bleek te zijn voor de algemene mobiliteit. Tevens verwijst dit citaat naar zijn statiek -en anatomische relaties. Er valt niet op te tomén tegen zijn heerschappij als we enkele aspecten van naderbij belichten:
- de ortho-sympaticus en de para-sympaticus, dus het autonome zenuwstelsel!
- de vascularisatie en lymfatische invloed via ductus thoracicus,
- de longen en hiermee de vitale capaciteit,
- de thymus en zijn defensiesysteem,
- het hart en pericardium en daarmee de invloed op hartslagfrequentie,
- zijn craniale bindweefselrelatie met link naar het hormonale aspect en de invloed op het menselijk gedrag, geslachtsklieren,...
- ligamentaire verklevingen met maag en lever waardoor invloed op spijsverteringstelsel en metabolisme niet gering kunnen zijn,
- de statiek relatie.
Twee proef groepen werden in deze scriptie van dichtbij benaderd:
- een hemiparese groep tengevolge van een trombose,
- een hemiparese groep tengevolge van een intra-cerebrale bloeding.
Elke groep omvatte linker -en rechter hemiparesebeelden. Elk individu kreeg een voor- en na-onderzoek in stand, ruglig en zit. Zij werden geobserveerd en getest op houding, gewrichtsmobiliteit, klinische parameters, vitale capaciteit en op gevoeligheid van triggerpunten.
Voor de behandeling werden vier diafragmatechnieken gekozen, verrijkt met fasciale rekkingen.
Uit de resultaten blijkt dat de "trombosegroep" en meer algemeen een rechter hemibeeld het best zou reageren op de behandeling hetgeen een vertekend beeld is van de werkelijkheid.
Voor beide groepen én alle hemiparesebeelden geldt dat het integreren van een diafragmabehandeling méér dan zinvol is. Positieve effecten waren het grootst op bloeddruk, hartslagfrequentie en vitale capaciteit gevolgd door de effecten op het blaasresidu en triggerpunten hetgeen gunstige gevolgen heeft voor de totale mobiliteit en aldus voor de functionaliteit van elke patiënt.
Hoewel heel wat patiënten beweren dat er ook positieve effecten te bespeuren waren op defaecatie en een verbeterde spijsvertering kan ik dit niet met statistische gegevens aantonen. Medicamenteuze effecten nemen hier het voortouw.
Voor ons blijft de " bewering" van patiënten het osteopatisch bewijs dat ook hier het diafragma een sleutelrol speelt.
Ofschoon de positieve effecten te danken waren aan myofasciale en neurogene interacties was voor sommige regulieren een twistpunt.
Niet zelden verwees men dat de effecten te danken waren aan "suggestie" met andere woorden de invloed van het psychologische aspect.
Met deze discussies zou men kunnen besluiten dat het diafragma zich slechts laat interpreteren aan alle " wetenschappers" en nooit zijn geheimen zal prijsgeven aan de mensheid...geheimen die hij bij elke geboorteschreeuw laat horen maar gretig terug met zich meeneemt op weg naar andere "inspiratie"-bronnen nieuw leven!
|
|
| Titel |
De technieken van ABABEL bij de zwelling na de totale knieprothese |
| Auteur |
Geert Scheirlinckx |
|
Het werk heeft tot doel de holistische visie van de osteopathie aan bod te laten komen en de resultaten van sommige technieken te evalueren. Het was voor mij geen sinecure, in dit beginstadium na de opleiding, osteopatische technieken te toetsen aan de praktijk en de resultaten ervan te verwerken en te beoordelen. Toch ben ik erin geslaagd een onderwerp te bespreken waarmee ik in de dagelijkse praktijk in contact kom. Ik stelde me de vraag of bij de behandeling van een totale knieprothese, osteopatische technieken de zwelling, de flexie en de extensie konden beïnvloeden.
De technieken van ABABEL om lymfatische storingen te behandelen zouden eventueel in dit kader kunnen worden toegepast.
Ik heb me moeten beperken tot twee groepen van elk dertig patiënten. Het was niet altijd gemakkelijk de patiënten bereid te vinden mee te werken, vooral door het uitgebreide behandelingsschema tijdens een postoperatieve periode en de veelvuldige afspraken. Bovenop de verplichte klassieke kine-behandeling waren de osteopathische technieken fel belastend. Alleen zij die open stonden voor vernieuwing en positief gemotiveerd waren, werden opgenomen in de groepen, echter wel rekening houdend met de leeftijd.
De resultaten die voor mij zeer belangrijk waren, zijn deze die gedurende het volledig verloop van de behandeling werden waargenomen, namelijk over een tijdspanne van drie weken, wetende dat de patiënten driemaal werden behandeld met een tussenpauze van 4 dagen. De zwelling van de knie werd opgemeten ter hoogte van zeven plaatsen rond de knieschijf, om toch een duidelijk beeld te verkrijgen tussen de behandelde groep en de controlegroep. Gezien de postoperatieve zwelling, na verloop van tijd geleidelijk aan toch verdwijnt, werd de osteopatische behandeling in een zo kort mogelijk tijdsverloop uitgevoerd en de resultaten opgemeten. De volgende waarden zijn verschillen tussen de behandelde groep en de controlegroep die in gemiddelde percentuele waarden weergegeven worden.
Ter hoogte van + 10 cm boven patelIa was er een verschil van 1,98%, op + 5cm een verschil van 1,410/0. boven de patella 3,67%, midden patella 2,62%, onder patella 3,47% op -5cm een verschil van 2,69% en op -10 cm een verschil van 3,33%.
Bij het opmeten van de flexie is er een gemiddelde verbetering van 3,06° en qua extensie 1,17°.
Men moet er zich wel van bewust zijn dat een groep van 30 patiënten in vergelijking met 500 patiënten wel tot andere resultaten kan leiden.
Voor mij was het niet haalbaar om een dusdanige populatie te verwerken wel wetend dat rekening houdend met de tegen indicaties, er nog veel factoren zijn die deze resultaten kunnen beïnvloeden.
We kunnen veronderstellen dat de technieken van ABABEL ook een positieve invloed kunnen uitoefenen op andere operatieve ingrepen alsmede op de algemene toestand van de patiënt, rekening houdend met dezelfde voorwaarden en omstandigheden.
We kunnen besluiten dat er in het kader van een holistische osteopatische benadering een miniem, doch positief resultaat wordt bereikt.
|
|
| Titel |
Les céphalées liées au cycle hormonal féminin: intérêt de l'ostéopathie en tant que thérapie holistique, selon deux approches: classique et tissulaire. |
| Auteur |
Thibaut Yvan |
|
Hoofdpijn en hun relatie tot de vrouwelijke hormonale cyclus: belang van de osteopathie als holistische aanpak.
Volgens twee benaderingen; de klassieke,- en de weefselmethode.
Eerst definieer ik hoofdpijn en overloop ik de mechanismen die de pijn veroorzaken. Vervolgens omschrijf ik de anatomiefysiologie van de betrokken streken alsook de hormonale cyclus.
Vervolgens geef ik het brede spectrum weer van mogelijke aanstekers: beenweefsel, endocrien, contraceptief, et vooral posturaaI (mathematische lijnen, spierkettingen van Godelieve Struyf Denis en van de Busquet, Dejarnette,Chantepie...).
Voor dat ik naar de praktijk overga, omschrijf ik de weefseltoenadering van P. Tricot zoals ook de technieken die in mijn behandeling gebruikt worden.
In het praktische gedeelte omschrijf ik eerst mijn «modus operandi» en dan de twee behandelingsmethodes die ik op tien patiënten heb gebruikt (vijf met een klassieke toenadering van A.Chantepie en vijf met de weefsel toenadering volgens P. Tricot).
Met behulp van een pijnschaal evalueer ik de verkregen resultaten.
Mijn conclusie is dat de osteopathie, in deze twee toenaderingen (klassieke en weefsel), als holistische techniek bijzonder nuttig is. En dit zolang de therapeut rigoureus in zijn behandelingen is en in zijn methode vertrouwt.
|
|
| Titel |
La normalisation de la relation cranio-sacrée influence-t-elle la statique? |
| Auteur |
Samuel Christiaens |
|
In deze thesis hebben wij de uitwerking van de normalisatie van de relatie cranio-
sacraal op de statica willen evalueren.
Enerzijds treffen wij in dit werk een eerste theoretisch deel aan, gewijd aan de statica, alsook aan de relatie cranio-sacraal.
Anderzijds hebben wij een praktisch deel gerealiseerd met statistische testen.
Inderdaad, met behulp van een elektronische podometer van het type PEL-38, hebben
wij metingen gedaan op een groep van vijftig personen tussen twintig en dertig jaar. De helft was van het vrouwelijk en de andere helft van het mannelijk geslacht. De selectie- en uitsluitingscriteria werden op punt gesteld voor de selectie van de deelnemende personen. Eveneens werden de criteria betreffende het studieprotocol gedefinieerd vóór de realisatie van deze testen.
Elk van deze vijftig patiënten werd op de podometer geplaatst, om zodanig hun afwijking van het zwaartepunt te evalueren. Wij hebben de tien patiënten met de meeste statische ontregeling geselecteerd. Zich baserend op de criteria van Gagey vertonen deze tien patiënten aan afwijkende statica. Voor ieder van deze patiënten, na een dubbel-blind evaluatie, stellen wij een asymmetrie in de amplitude en de bewegingstijd vast, hetzij op hoog of op laag niveau. Daarna hebben wij de techniek van de normalisatie van de relatie cranio-sacraal, op de tien geselecteerde personen toegepast, om uiteindelijk als dusdanig hun statica op platform te herzien, om zodoende gecijferde waarden te bekomen, vóór en na de behandeling.
Uit statistisch oogpunt hebben wij de F -test van Fischer gerealiseerd om de twee varianten te vergelijken, alsook de T -test van Student om de twee gemiddelden te vergelijken. Deze testen hebben ons toegelaten te beweren dat de "normalisatie van de relatie cranio--sacraal" geen statistische betekenisvolle invloed had op de statica. Het is dus niet relevant deze techniek toe te passen in de hoop een statische correctie te verkrijgen. Nochtans vind ik
dat het nuttig zou zijn een experimentele klinische studie te realiseren door deze techniek in te sluiten in het kader van een osteopathische, globale behandeling en opnieuw de uitwerkingen op de statica te observeren.
|
|
| Titel |
Etude de l'influence de la technique de compression du 4ème ventricule sur la fréquence cardiaque. |
| Auteur |
Jérôme Thiry |
|
De techniek van samendrukking van de vierde ventrikel maakt het mogelijk om de fluctuatie van het cerebro-spinaal vocht te normaliseren. Zij heeft voor gevolg de fluctuatie te normaliseren , te ritmeren, die de vloeistofuitwisseling doorheen het lichaam ondersteunt.
Het doel van deze studie is te onderzoeken of een invloed van een osteopathische techniek (de samendrukking van de 4de vierde ventrikel) op de hartfrequentie bestaat, en het objectiveren dankzij een Cartesiaanse en een nauwkeurige statistische demonstratie. Dankzij een protocol dat alle andere tussenkomst dan deze techniek uitsluit, en met een nauwkeurige timing, zal het in het daglicht stellen of niet een wijziging van de parameters ten opzichte van een controlegroep.
Men observeert een belangrijk verschil in de hartfrequentie tussen de behandelde personen en referenties tijdens de techniek, aan het einde van de techniek en tien minuten na het eind van de samendrukking van de vierde ventrikel.
De vermindering van de hartfrequentie tijdens en aan het einde van de techniek zou door de normalisatie van het ortho-sympathisch systeem verklaard kunnen worden en een stimulering van de parasympathisch centras gelegen ter hoogte van de bodem van de vierde ventrikel teweeggebracht door de fluctuatie van het cerebro-spinaalvocht.
De vermindering van de hartfrequentie die zich tien minuten na het eind van de techniek voordoet, kan uitgelegd worden door een invloed op de primaire ademhalingsbeweging, door een invloed op het endocriene systeem of door een ontspanning van de doorbloeding stuwing.
De techniek van samendrukking van de vierde ventrikel is een zeer interessant techniek welke de osteopaa kan inlassen in een globale benadering van bepaalde hartziekten maar eveneens bij de behandeling van veelvuldige disfuncties, door de invloed op de fluctuatie van het cerebro-spinaalvocht en op alle fasciae van het lichaam.
|
|
|
THESES 2005
|
|
|
| Titel |
Het oog oculomotoriek strabisme: een osteopathische visie |
| Auteur |
Johan Van Gorp |
|
In deze thesis wordt verslag uitgebracht van een onderzoek naar de effectiviteit van een osteopathische interventie bij kinderen lijdend aan convergent / divergent strabisme. Het hiervoor gebruikte onderzoeksmodel was dat van een enkelblind gerandomiseerde prospectieve pilootstudie met gebruik van een controlegroep. .
Vooreerst wordt nagegaan welke gegevens hieromtrent in de literatuur bekend zijn. Uit een nauwkeurige beschrijving van de anatomo-fysiologie en de inkadering in het pariëtale, viscerale en craniale concept blijkt duidelijk het belang van de osteopathie bij de behandeling van oogaandoeningen. Ook de kennis die reeds voorhanden is over mogelijke ontstaanswijzen, vormen en evolutie van strabisme draagt bij tot het inzicht hoe een osteopathische interventie bij deze aandoeningen hulp kan bieden. Deze gegevens worden dan verder aangevuld met het eigen onderzoek.
Het doel van dit onderzoek is drieledig. Ten eerste is het de bedoeling om te onderzoeken of osteopathie een complementaire rol kan vervullen bij de behandeling van convergent / divergent strabisme. Ten tweede wordt een antwoord gezocht op de vraag of de toegepaste osteopathische interventie een invloed kan hebben op de onderzoeksresultaten bij een onderzoek volgens de zogenaamde black-boxmethode. Aangezien de osteopathie een manuele geneeskunde is, gebaseerd op een holistisch concept, lijkt het wenselijk om in geval van een onderzoek volgens de black-boxmethode een osteopathische totaalbehandeling als interventie te geven. Dit in tegenstelling tot de vele onderzoekingen die reeds zijn gedaan volgens de zogenaamde randomized fundamental clinical trials. Het derde doel van deze pilootstudie is het testen van de opgestelde onderzoeks- en behandelprotocollen, die later gebruikt zouden kunnen worden bij de uitvoering van een totale osteopathische benadering in het kader van een onderzoek volgens de black-boxmethode.
39 kinderen werden ingesloten voor deelname aan het onderzoek. Deze groep werd at random verdeeld over drie testgroepen. Eén controlegroep (Ta) en twee behandelingsgroepen. Te weten: een groep waarbij een craniale deelbehandeling werd gegeven (T i) en een groep waarbij een osteopathische totaalbehandeling werd gegeven (T2). Bij aanvang van het onderzoek werden de kinderen gemeten met behulp van de synoptofoor. In de daaropvolgende 2,5 maanden ondergingen de kinderen uit de groepen Tl en T2 twee osteopathische interventies. De kinderen uit de controlegroep (Ta) kregen in die periode geen osteopathische behandeling. Na afloop werden de kinderen opnieuw gemeten met behulp van de synoptofoor.
Na statistische analyse blijkt dat bij de T2-groep een gemiddelde vermindering van de scheelzienshoek van 3,6 graden heeft plaatsgevonden met een standaarddeviatie van i, i graden (a. = 0,05). Er bestaat tevens een significant verschil tussen onderzoeksgroep T2 en de andere twee groepen. Ta en Tl verschillen niet significant.
Als gevolg van deze resultaten kan de vooropgestelde nulhypothese:
-Een osteopathische interventie heeft geen effect op de oogstandafwijking bij kinderen tussen de 3 en 10 jaar lijdend aan convergent / divergent strabisme - met succes verworpen worden.
Ook op de vraag of het wenselijk is om bij een onderzoek volgens de black-boxmethode te werken met een interventie volgens de osteopathische totaalbehandeling kan bevestigend geantwoord worden.
De ontworpen onderzoeks- en behandelprotocollen blijken in de praktijk werkzaam en kunnen dus gebruikt worden bij wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van een osteopathische interventie.
|
|
| Titel |
De correlatie tussen lumbale tender points van Jones en lumbale articulaire blokkades
|
| Auteur |
Sam Verslegers |
|
Vooreerst wordt het theoretisch kader geschetst van de ontwikkeling van tender points ten gevolge van een strain volgens Jones.
Verder wordt het begrip “tender point-trigger point” uitgediept met een vergelijkende studie van min of meer gelijkaardige fenomenen.
Eveneens worden enkele oorzaken en bestendigheidsfactoren van een trigger point belicht vanuit een osteopatisch perspectief.
Het beschrijvend en statistisch onderzoek naar het verband tussen lumbaIe tender points van Jones en lurnbaIe articulaire blokkades vormen het praktisch gedeelte van de thesis.
Er blijkt , in ons onderzoek en het onderzoek van McPartland en Goodridge weinig correlatie te bestaan tussen positieve tender points van Jones en wervelblokkades. De waarde van een positief tenderpoint van Jones aIs exclusief diagnostisch middel Dm een wervelblokkade te bevestigen moet dan ook sterk in vraag worden gesteld.
Toch kunnen positieve tender points zeer waardevol zijn aIs aanvullend diagnostisch middel, zeker wanneer we deze “tender points” bekijken vanuit een breder perspectief.
Enige zelfkritiek op ons onderzoek is het feit dat de meetmethode een continue medewerking vraagt van de patiënt welke een belangrijke variabele factor vormt voor de meetmethode. De opzet was echter een gelijkaardig onderzoek van McPartland en Goodridge op een meer gestandaardiseerde wijze uit te voeren door middel van aIgometrie van de tender points. We moeten echter kritisch blijven en ons afvragen of aIgometrie objectief datgene vastlegt wat wij subjectief met onze handen voelen.
|
|
| Titel |
Enuresis bij kinderen
|
| Auteur |
Mieke Vlamynck |
|
Het doel van deze thesis was na te gaan of enuresis bij kinderen een indicatie is voor osteopathie. Ik wilde tevens nagaan in hoeverre een niet-totale aanpak (pariëtaal -visceraal) tot andere resultaten zou leiden dan een totale aanpak (pariëtaal visceraal - craniaal) in de behandeling van het enuretische kind. .
Vaak hebben enuretische kinderen en hun ouders geen flauw idee van wat een osteopaat doet. En hoe het urogenitaal stelsel anatomisch-fysiologisch in elkaar steekt. Het is onze taak hen op een correcte manier te informeren hoe en waarom we bepaalde structuren gaan behandelen. Deze behandeling gebeurt in een ontspannen sfeer. Waarin het comfort en het vertrouwen van het kind zeer belangrijk zijn.
Van de 20 kinderen die ik behandeld heb zijn er 12 droog gebleven. Op zich is dit misschien een eerder mager resultaat. Doch ik mag stellen dat we hier een vertekend beeld krijgen.
Voor de kinderen met enuresis nocturna bleek er niet zo veel verschil te zijn in de resultaten naargelang de behandelingsaanpak. Evenveel kinderen werden droog door de pariëtaal viscerale behandeling. Als door het toevoegen van het craniale aspect.
Bij de kinderen met blaasinstabiliteit daarentegen was het verschil zeer duidelijk. Op 1 kind na werden al deze kinderen droog via een totale behandeling. Dus met aandacht voor én het pariëtale. Én het viscerale én het craniale aspect. Wanneer het craniale “vergeten” werd. Lukte de behandeling eenvoudigweg niet. M.a.w. geen enkel kind bleef droog. Mijns inziens heeft dit vooral te maken met een verstoord neurovegetatief evenwicht. Toch wel een zeer mooie indicatie voor de osteopaat!
Ik wil evenwel toch ook de aandacht vestigen op het belang van de oorzaak-gevolgketens vanuit het onderste lidmaat. Deze zorgen vaak voor een extra spanning in het kleine bekken. Veelal vanuit de exorotatoren. Waardoor de vascularisatie en de innervatie van de lagere urinewegen in het gedrang komen. Verder hadden alle proefpersonen een letsel in de thoracolumbale overgang. Dit bevestigt nog maar eens de impact van een verstoorde orthosympaticus.
In hoeverre de wekbaarheid het al dan niet slagen van deze therapie beïnvloedt laat ik in het midden. Ik kan alleen stellen dat in deze proefgroep de meerderheid van de moeilijk wekbare kinderen na de behandeling droog bleef. Voor de psychologische invloed op de slaag kansen heb ik geen opvallende bevindingen. Gezien het te geringe aantal proefpersonen. Misschien kan dit een onderwerp zijn voor een medisch-pedagogisch onderzoek?
Naar mijn idee kunnen we in de behandeling van enuresis niet teruggrijpen naar één bepaalde. Gestandaardiseerde osteopathische aanpak. Gezien elk kind verschillend is. En gezien de blaasfunctie op zo’n complexe neurofysiologische manier gestuurd wordt. Het blijft dus steeds belangrijk om het enuretische kind in zijn/haar totaliteit te beschouwen. En vanuit een goede anatomische kennis op zoek te gaan naar de oorzakelijke letsels die de blaasfunctie op een dergelijke manier kunnen verstoren.
|
|
| Titel |
Een osteopatische benadering van gastro-oesophageale reflux bij baby’s
|
| Auteur |
Bart Bruneel |
|
Naar aanleiding van de groeiende vraag naar een specifieke behandeling tegen gastro-oesophageale reflux, ben ik op zoek gegaan naar een behandelingswijze. Ik kwam tot de conclusie dat reflux beschouwd werd als een dysfunctie van de nervus vagus gepaard gaande met enkele specifieke pariëtale, viscerale en craniale bewegingsrestricties, spasmes en dergelijke. Deze osteopathische aanpak diende ik in te kaderen in de bestaande medische zienswijze. Een arts of pediater bekijkt deze pathologie vanuit een ander perspectief. Men schrijft dit toe aan een functieverlies van de OOS, het verwijderen van opgehoopt zuur in de oesophagus, een vertraagde lediging van de maag, hiatus hernia,…
Nu werd het mijn uitdaging om hun perspectief licht te wijzigen. Ik kwam op de proppen met een nerveus probleem dat gepaard gaat met viscerale, craniale en pariëtale letsels of bewegingrestricties.
Ik schreef een totaalbehandeling uit en wilde deze toepassen op een twintigtal kinderen. Toch wou ik een stapje verder gaan. We splitsten die twintig kinderen op in vier groepjes van vijf kinderen. Elk groepje werd op een andere manier benaderd. Eén groepje kreeg de totaalbehandeling, één groepje kreeg enkel de viscerale, één groepje kreeg enkel de pariëtale en één groepje kreeg enkel de craniale benadering.
We kwamen snel tot de conclusie dat enkel de totaalbehandeling ons een bevredigend resultaat opbracht. Enkel wanneer we het kind in zijn totaliteit behandelden, hadden we een slagingspercentage van 80%. De craniale behandeling volgde met een slagingspercentage van 60% terwijl de pariëtale en viscerale benadering een gezamenlijk slagingspercentage hadden van 30%.
Nu hebben we kunnen aantonen dat de totaalaanpak duidelijk werkte. Craniaal gezien werkten
we in op de temporo-occipitale, occipito-mastoidale en basis occiput letsels. Visceraal benaderden we de ileo-caecale overgang, de relatie corpus-pylorus en de hernia hiatalis. De pariëtale behandeling bestond uit de mobilisatie van de voeten, heupen en bekken; gecombineerd met een grondige mobilisatie van de cervicale wervelzuil. Ten slotte corrigeerden we ook de diafragma’ s. Deze correctie catalogeerde ik onder de craniale aanpak.
Eénmaal we dit gerealiseerd hadden, dienden we ook een oorzaak naar voor te schuiven. Logischerwijs analyseerden we de geboorte. We merkten dat tijdens de bevalling er een enorme druk ontstaat op de schedel van het kind. Empirisch gezien gaan we ervan uit dat enkel wanneer de krachten groter zijn dan het fysiologisch compensatiemechanisme, er een (craniaal) bewegingsverlies kan ontstaan. Indien dit bewegingsverlies zich voordoet ter hoogte van de temporo-occipitale, occipito-mastoidale, basis occiput regio en dergelijke kunnen we een indirecte impact hebben op de nervus vagus. Dit omdat de uittredeplaats van de nervus vagus kan gesitueerd worden ter hoogte van het foramen jugulare. Elk kind bezit echter een autocorrectie. Tijdens huilbuien e.d. mobiliseert het kind zijn schedel en kan daardoor bewegingsrestricties opheffen. Enkel wanneer het natuurlijk compensatiemechanisme en de autocorrectie falen, dienen we te interveniëren.
|
|
| Titel |
Vergelijkende studie tussen het effect van een thracolumbale decoaptatie en het effect van een Doming techniek op de vitale longcapaciteit bij rokers.
|
| Auteur |
Thomas Goegebuer |
|
In deze thesis wilde men twee osteopatische technieken met elkaar vergelijken en kijken of deze effect hebben op de vitale longcapaciteit bij rokers.
Als meetinstrument werd de Spirobank MIR gebruikt, die voldoet aan de richtlijnen voorgeschreven door MIR srl MEDICAL INTERNATIONAL RESEARCH, Roma 11/09/2000.
Er werd een longitudinale studie uitgevoerd van 60 gezonde proefpersonen die onderworpen werden aan ofwel een Thoraco Lumbale Overgang Decoaptatie, ofwel een Doming techniek van het diafragma. Anderzijds vond een longitudinale studie plaats van 30 gezonde proefpersonen die niet behandeld werden en derhalve de controle groep vormden.
Hier in deze thesis kon een significant verschil worden aangetoond tussen de meetwaarden voor en na de toegepaste techniek. Alhoewel sommige resultaten uit vorige onderzoeken sterk uiteenlopend waren, sommige onderzoeken konden geen significant verschil aantonen en andere onderzoeken spraken van een stijging van longfunctiewaarden na een bepaalde osteopatische techniek, leunde deze thesis aan bij het laatste.
In een volgend onderzoek zou men deze osteopatische technieken kunnen toepassen in een volledige osteopatische behandeling van het longsegment en deze uitbreiden tot de behandeling van alle gewrichten die instaan voor de mobiliteit van de thorax, de ribben, het sternum en de gewrichten van de schouder. Eventueel dit onderzoek uitvoeren over langere termijn waarin meerdere behandelingen plaatsvinden.
Ook zou men kunnen testen in hoeverre deze technieken, om de vitale longcapaciteit te beïnvloeden, een invloed hebben op de immuniteit, daar er in de literatuur een relatie bestaat tussen deze twee.
Ten slotte zou men ook kunnen werken met proefpersonen die een longpathologie hebben, waardoor de longfunctiewaarden initieel lager zijn.
|
|
| Titel |
Loopletsels: een osteopathische benadering
|
| Auteur |
Marnix Olivier |
|
Aan het einde van dit werk overvalt ons een dubbel gevoel, we zijn enerzijds gelukkig dat we de opdracht tot een goed einde hebben gebracht en anderzijds vinden we het spijtig dat we de vele nieuwe, maar ook reeds gekende elementen niet dieper konden uitwerken.
Loopletsels zijn niet zo maar loopletsels. Dit gegeven vraagt een holistisch en een multidisciplinaire benadering, waarbij ook in de preventie nog veel werk te doen is.
We herhalen nog maar eens dat alles in ons organisme beweegt, continu, maar de minste verstoring, lokaal of op afstand, kan ervoor zorgen dat deze beweging vermindert of verloren gaat. We spreken over een osteopatisch letsel.
We hebben geprobeerd de hier beschreven veel voorkomende loop letsels op een osteopatische manier te benaderen. We zijn ons goed bewust dat dit slechts een summiere benadering was. We zijn vooral van mening dat kleine biomechanische afwijkingen een storende invloed zullen hebben op het subtalaire gewricht.
In het kader van onze mathematische lijnen en de daaruit voortvloeiende oorzaak-gevolg-keten, zien we heel wat secundaire letsels ontstaan, die zich in de tijd dan uiten in de klassieke chronische overbelastingsletsels. Samen met de drang om steeds sneller en beter te presteren kan dit cumulatief eindigen in een ernstig letsel, waarbij meestal alle loopplezier verdwenen IS.
Tijdens het ontwikkelen van ons holistisch denkpatroon gedurende deze voorbije vijf jaar zijn we overtuigd, dat oorzaak en gevolg (letsel) dikwijls heel ver uit elkaar kunnen liggen. Volgens J. De Witte D.O. en anderen, is het opsporen van het primaire letstel in het osteopatisch gegeven zeer moeilijk. Belangrijk is dat de osteopaat erin slaagt alle aspecten van het organisme op elkaar af te stemmen om zo een perfecte homeostasis te bereiken.
Het is aan ons om relaties te zien, op te zoeken en te ageren waar nodig. Osteopathie is immers geen receptenboek.
Belangrijk is ook dat er voldoende aandacht gaat naar preventie. We zijn ervan overtuigd dat een preventief osteopatisch benaderen van onze sporters heel wat problemen kan voorkomen. Het behandelen van op het eerste zicht kleine ongemakken spierhypertonie,
gewrichtsbeperkingen, retracties van peesstructuren, onevenwicht tussen spiergroepen, kan vermijden dat deze evolueren naar ernstige letsels. Dit alles uiteraard gekoppeld aan een betere leefhygiëne (o.a. voeding), optimale training, …kan een ideaal kader creëren om als sporter maximaal het eigen potentieel aan te spreken, en zo een maximale voldoening te bekomen met een minimum aan blessure risico’s.
We hopen dat dit een aanzet is tot het verdiepen van de reeds nu verworven kennis met als doel toch een steentje te kunnen bijdragen tot het voor velen zo belangrijke loopplezier.
Na deze basisopleiding en het vele werk binnen dit korte tijdsbestek besteed aan deze scriptie, zijn we ervan overtuigd dat er echter nog zoveel te doen is.
We kijken dan ook de toekomst met een zekere nieuwsgierigheid tegemoet.
Het feit dat er in deze studie geen statistisch materiaal is opgenomen, mag geenszins geïnterpreteerd worden als zouden dat soort gegevens voor ons zonder belang zijn.
Maar we opteerden voor case-studies boven generaliseerde gegevens.
In die zin werd met een aantal mensen uit het loop milieu, trainers milieu gepraat over de mogelijke interesse om lopers preventief te benaderen. We brachten een aantal bezoeken aan een podologie center, waar biomechanische metingen gebeuren, video-opnames op de loopband worden gedaan, voetafdrukken worden genomen, inlays gemaakt,…
Deze verkennende gesprekken waren zeer leerrijk en vormen dan ook een eerste stap tot verdere samenwerking.
Gezien de omvangrijkheid van dit alles werd in dit werk daarvan geen schriftelijke neerslag opgenomen. Voor de geïnteresseerde lezer ben ik steeds bereikbaar om materiaal en info ter beschikking te stellen.
|
|
| Titel |
Het fysiologisch effect en de effectiviteit van een cranio-sacrale techniek: CV4 op hoge of lage bloeddruk opmeten
|
| Auteur |
Elisabeth Rogiers |
|
Doel: In de osteopathische leerboeken wordt de “compression ventricle four” omschreven als een techniek met vele effecten. Eén van deze effecten is het verlagen van de arteriële bloeddruk bij hypertensie. Het objectief van deze studie was het nagaan van de mogelijke invloed van de osteopathische techniek “CV 4” op de arteriële bloeddruk bij hypo- of hypertensieve mensen op korte
termijn, bovenop hun medicatie. .
Procedure: Vijfenveertig hypo- of hypertensieve proefpersonen, willekeurig gekozen (random), zowel mannen als vrouwen, werden in drie groepen ingedeeld: een CV 4-groep, een placebo-groep en een blanco-groep. Bij de mensen van de placebo-groep werd een neptechniek toegepast en in de blanco-groep werd helemaal géén techniek gebruikt. Dit was de random-versie. Daarna werden de drie verschillende behandelingen uitgevoerd op éénzelfde groep van vijftien mensen. Dit was de same-people-versie. Er werd gebruik gemaakt van een volautomatisch meettoestel om de bloeddruk objectief vast te stellen.
Methodologie: Vooraleer werd overgegaan tot het verwerken van de gegevens, werd een normality test gedaan om na te gaan of de verkregen data geschikt waren. Voor het verwerken van de gegevens werd het computerprogramma SPSS versie 10.0 gebruikt en de statistische verwerkingstechniek ANOV A om de verschillen tussen de groepen en de verschillen binnen de groepen waar te nemen.
Resultaten: Er werd bij het uitvoeren van de CV 4-behandeling een significante daling (P=0,007) gezien van de systole van 15,4 mm Hg = 10,7%, maar er werd ook een significante daling (P=0,007) van de systole na het uitvoeren van de placebo-behandeling gezien. Voor de diastole werden er geen significante resultaten gevonden na geen enkele van de drie behandelingen.
Bespreking: Ook al was de testgroep eerder klein en de uitvoering misschien niet als die van een ervaren osteopaat, toch werden er positieve resultaten geboekt met de CV 4-behandeling. In de random-versie was de daling van de systole significant zowel na de CV 4- als de placebo-behandeling, maar ze was meer significant en groter na de CV4-behandeling. In de same-people-versie bleek alleen de CV 4-behandeling significante dalingen voor de systole teweeg te brengen. De daling gaf in beide versies ook een normalisatie aan aangezien ze zich bewoog in de richting van 120 mm Hg. Bij de diastole werden er na geen enkele van de drie behandelingen significante verschillen gevonden. Dit kan toegeschreven worden aan het feit dat de beginwaarden al schommelden rond de streefwaarde van 80 mm Hg. Daaruit mag men besluiten dat de CV 4-behandeling moeiteloos deel kan uitmaken van een totaalbehandeling van hypo- of hypertensieve patiënten, zoals dat in de filosofie van de osteopathie past.
|
|
| Titel |
Comédons et points noirs, diagnostic et traitement ostéopathique
|
| Auteur |
Antoine Bocquet |
|
Acne is een huidaandoening die ongeveer 80% van de jongeren treft. Daar waar er een bloeiende markt voor verzorgingsproducten bestaat met betrekking tot dit probleem, zijn de oplossingen voorgesteld door de medische wereld beduidend minder talrijk.
De osteopathie moet antwoorden kunnen geven op dit ingewikkelde fenomeen… De oorzaken van acne zijn veelvuldig, gaande van genetische factoren tot comedogenic produkten, van hormonale problemen tot meer psychologische oorzaken… Daar waar de mogelijke oorzaken erg talrijk zijn (en vaak onvoldoende geïdentificeerd), zijn de mogelijke behandelingen even talrijk.
Van alle mogelijke oorzaken zijn het enkel de zuiver lichamelijke (fysieke) oorzaken die mij hier binnen de osteopathie interesseren. Binnen het kader van dit eindwerk behandel ik de oorzaken die me het interessantste lijken om te verzorgen en tevens test ik een behandelingsprotocol uit op enkele patiënten.
De mee-eters en zwarte puntjes zijn een aanwijzing van onderhuidse letsels, zowel vertebraal als organisch.
Acne is een hormonaal verschijnsel, dus moet er ook een normalisatie van de hormonale factoren gedaan worden. Dit is mogelijk door het toepassen van technieken met betrekking tot de hersenen en ingewanden op de verschillende betrokkene hormonale klieren. Van de hypofyse via de geslachtsklier tot de bijnier, allen worden gecontroleerd en genormaliseerd indien nodig.
Acne is een verschijnsel van ortho/parasympathisch onevenwicht, hetgeen met zich meebrengt dat er ook een sympathische normalisatie zal moeten gebeuren, vooral op vertebraal niveau.
Tenslotte is acne een verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een slechte zelfregeling/homeostase, gedeeltelijk veroorzaakt door een onevenwicht van de filterende organen zoals de nieren en de lever. Het behandelingsprotocol toont dus dat een osteopathische behandeling van acne volledig moet zijn, gericht op zowel hormonaal niveau als op sympathisch niveau en op het niveau van de filtratie.
De titel “mee-eters en zwarte puntjes, diagnose en osteopathische behandeling”, moet gelezen worden in de meest brede betekenis van de term. Deze huidletsels zijn te diagnosticeren (iets dat alles meegerekend vrij eenvoudig is) en ik stel een behandeling door osteopathie voor; maar deze huidletsels kunnen ook dienst doen als diagnose voor onderhuidse letsels, en de behandeling ervan kan in sommige (extreme) gevallen wezenlijk deel uitmaken van de osteopathische behandeling.
|
|
| Titel |
Au sein de la voie lactée ..
Approche ostéopathique succincte du sein chez la femme allaitant.
|
| Auteur |
Isabelle Michotte-Creuen |
|
Deze studie is een beknopte osteopatische benadering van de borst bij de zogende vrouw, dit met de bedoeling de verstoringen van de lactatie te kunnen behandelen.
De anatomische studie van de borst toont deze als een huid-klierachtig eenheid, nauw verbonden met de onderliggende fascia ‘s.
Op fysiologische vlak, doen de mammogenese en de neuro-hormonale regulatie van de lactatie een beroep op subtiele en veelvuldige hormonale interacties. Deze zijn voornamelijk atl1ankelijk van de hypothalaam-hypophysair as, maar eveneens van andere klieren zoals de geslachtklieren of de bijnieren. De limbische cortex (gyrus limbicus), die dit alles overkoepelt, materialiseert het belang van de emotionele context bij de lactatie.
De studie van de fasciale en musculaire ketens, alsook van de circulatie- en hormonale relaties tussen de buik- en bekkenregio’s en de borstregio’s, levert belangrijke elementen ter overweging in de benadering van de stoornissen rond de lactatie (congestie, stuwing, hyper- en hypogalactie…). De post-partum is namelijk een situatie waarbij diverse letsels voortvloeiend uit de bevalling, en belangrijke Statische wijzigingen zich samenvoegen. Deze post-partum kan de oorzaak zijn van verstoringen in de bloedsomloop van de borsten, dit omwille van :
- Fasciale spanningen
- Spiercontracturen (scalenespieren, ondersleutelbeenspier, tussenribspieren, …)
- Dwang ter hoogte van C7- Thl en ThI2-i1.
- Verstoringen van de buik- en bekkenbloedsomloop en spel van aderlijke anastomosen.
Ten slotte, vestigen we de aandacht op enkele punten die uiterst belangrijk zijn bij de behandeling van patiënten die lijden aan verstoringen van de lactatie.
Concluderend stellen we dat een holistische benadering noodzakelijk is voor een goed begrip van de verstoringen van de lactatie. Het is dus de taak van de osteopaten, die een interesse vertonen voor dit onderwerp, zich een plaats te maken bij gynaecologen en raadgeefsters in borstvoeding.
|
|
| Titel |
Méthode Ababel chez le patient souffrant de sinusite.
|
| Auteur |
Anne-Marie Dutrannoit |
|
In mijn dagelijkse praktijk, heb ik opgemerkt, dat vele patiënten last hebben van de
sinuszone, met een overvloed van afscheidingen die dat meebrengt en dit ondanks de medische zorgen.
Ik vroeg me af of een osteopatische behandeling een aanvulling zou kunnen zijn van
die medische behandeling. .
Na een herziening van de anatomische-physio-pathologie (zoals verplichtend in de ostéopathie) wil ik hier dieper ingaan op de methode ABABEL (all body adjustment Belso) met zijn nut en invloed op de sinusitis.
De methode ABABEL is een geheel van osteopatische technieken, en heeft voor doel een drainage van het lymfestelsel.
Zij is waardevol in de mate dat zij dit doet voor de elementen in verband met de sinus en het neusslijmvlies (direct of indirect).
De resultaten zijn opvallend. In het begin stelt men een vermeerdering van de rhinorrhée vast, tekenen van een sterke eliminatie der toxines van het organisme. Na drie, vier behandelingen, heeft men een sterke verbetering om tenslotte de klachten van de patiënt stop te zetten.
|
|
| Titel |
Approche obstétricale et affective de la succion du nouveau-né
|
| Auteur |
Wrincq Jaël |
|
Als inleiding hebben we eerst de redenen en dan de ontwikkeling van dit werk onderlijnd.
In een eerste hoofdstuk hebben we het verschijnsel “ZUIGEN” van de pasgeborene uitvoerig onderzocht. Het begrip van die behoefte begint met de waarneming vanaf zijn foetale- tot de zuigelingperiode. Daarna hebben we de verschillende zuigtechnieken en de evaluatie van die reflexbeweging onderzocht.
In het volgende hoofdstuk zijn we begonnen met een concreet geval om een perinatale studie van het “zuigen”uit te voeren. Na de uitleg van een occiput-ilium-sinistra-anterior bevalling, hebben we in de verschillende fases van eventuele schedelbeschadiging en hun neurologische gevolgen onderzocht.
In een derde hoofdstuk hebben we het “zuigen” psychologisch bestudeerd. We zijn eerst begonnen met het gevoelsleven van de in-utero foetus en de huidige wetenschappelijke kennis op hormonaal gebied. Daarna hebben we de betekenis van het “zuigen” bestudeerd om ten slotte tot een aangepaste behandeling te komen.
In het laatste deel moesten de besluiten naar voren gebracht worden.
We hebben achtereenvolgens aandacht gehad voor:
- het belang van de normalisatie van eventuele letsels tijdens de bevalling.
- het belang het structurele en het psychische niet te scheiden.
- het belang in team te werken.
|
|
| Titel |
Kinderen met A.D.H.D. een osteopatische visie
|
| Auteur |
Dirk Wouters |
|
Je kan zeggen dat er vele factoren bij het ontstaan van ADHD een rol kunnen spelen. Erfelijkheid, de omstandigheden voor en na de geboorte, en de omgeving waarin een kind opgroeit zijn daarbij zeker belangrijk. Ook worden in de structuur bij een aantal kinderen met ADHD, in de anatomie van de hersenen een aantal anatomische veranderingen en/of neurobiologische stoornissen op het niveau van de neurotransmissie gevonden die een verklaring zouden kunnen vormen voor de gedragsproblemen en het concentratietekort. Over de manier waarop deze in aanleg aanwezige omstandigheden tot uiting komen is nog veel onbekend.
Met deze thesis heb ik dan ook geprobeerd een antwoord te geven op de vraag van vele ouders en therapeuten: “Wat kan er allemaal gedaan worden voor het ADHD -kind, naast het geven van amfetamines, de gewone klassieke psychotherapie, de aangepaste schoolbegeleiding, enz… ?”
Mijn opleiding tot osteopaat D.O. heeft me veel verder geholpen om de therapie eens over een andere boeg te gooien en om voor deze ADHD-kinderen een duidelijk onderzoeksschema met aangepast behandelplan op te stellen. Het is echter dan wel een multidisciplinaire vorm van onderzoek en behandeling, waarbij zowel de craniale, de pariëtale en de viscerale structuren in één holistische totaliteit benaderd worden alsook het aspect voeding, dat m.i. een zeer belangrijke en onmisbare factor is.
Het was voor mij dan ook een hele uitdaging om te kunnen aantonen dat bijvoorbeeld amfetamines niet altijd de enige oplossing zijn, maar dat de essentiële vetzuren zoals de omega3 uit perilla- of diepzeevisolie en de kruiden zoals ginseng, passiebloem, citroenmelisse, valeriaan en kweekwortel, alsook de correcties van de posturologie zeker zo belangrijk zijn om het ADHD-probleem draaglijker te maken voor deze kinderen.
Het blijft echter moeilijk om te zeggen dat we deze vorm van “hyperactiviteit met aandachtstekort” niet kunnen genezen, maar we kunnen wel ons steentje bijdragen tot het algemeen welzijn van het kind en het hierdoor een aangenamer verder leven schenken.
Osteopathie is en blijft voor mij een boeiende materie die in vele opzichten nog verder kan verfijnd en uitgediept worden, zodat de vele problemen die het menselijk individu doormaakt, steeds kunnen opgelost worden.
|
|
| Titel |
General Osteopathic Techniques als aanvulling in de revalidatie van een hemiparetisch beeld
|
| Auteur |
Stijn Bouckzoone |
|
Het is niet evident om de General Osteopathic Techniques exact te definiëren. Het is een geordende en gecoördineerde opeenvolging van specifieke en karakteristieke articulaire technieken, gebaseerd op het lange hefboomprincipe, door het mobiliseren van de gewrichten en het ontspannen van de weke weefsels. Deze technieken kunnen zowel diagnostisch als therapeutisch toegepast worden en belangen het volledige lichaam aan.
De technieken worden bilateraal toegepast op de patiënt die zich zowel in zit als in rug-, buik- en zijlig kan bevinden. Ze hebben als uiteindelijk doel om de wervelkolom te behandelen en zo de algemene toestand van de patiënt te verbeteren.
De 3 'R'-en zijn van belang: de Routine (in de betekenis van "geordende opeenvolging"), het Ritme en de Rotatie. Een vierde 'R' kan eruit voortvloeien, met name de Relaxatie.
Deze technieken kaderen volledig in de holistische visie van de osteopathie, die het herstel van de homeostasis beoogt.
In het deel over hemiplegie, worden de motorische problemen ten gevolge van een C.V.A. besproken. Ook de verschillende behandelingsmethodes worden nader toegelicht.
Het biomechanisch concept van de lemnisci anatomici volgens Littlejohn komt ook aan bod. De verschillende technieken worden uitgelegd, geïllustreerd en toegepast bij vijf casussen met een hemiparetisch beeld waarbij de uitgangshouding soms moest worden aangepast.
Het blijft moeilijk om objectief vast te stellen welke resultaten te danken zijn aan de General Osteopathic Techniques en welke gekoppeld zijn aan de traditionele behandelingsmethodes en/of de medicatie.
Na de G.O.T.-behandeling, merken we een lichte daling van de spasticiteit.
Bij sommige patiënten daalde die met één graad op de Modified Ashworth Scale: van 3 naar 2 (van een sterke naar een matige tonus). Bij anderen was er een verbetering van hun gangpatroon merkbaar. Bij iedereen steeg het relaxatiegevoel.
Opeenvolgende behandelingen bewaren het resultaat.
Aangezien we op de drie grote terreinen inwerken, met name pariêtaal,
visceraal en craniaal, zal er zeker een verbeterde circulatie, vascularisatie en homeostasis optreden. Dit resulteert in een algemene vooruitgang.
Het draait tenslotte allemaal rond bewegen. En... bewegen schenkt leven.
Dus... "keep on moving with the General Osteopathic Techniques".
|
|
| Titel |
Bekkeninstabiliteit bij de zwangere vrouw
|
| Auteur |
Ilse Dierick |
|
Bekkeninstabiliteit tijdens de zwangerschap is klassiek een geheel van pijn en symptomen rondom het bekken, de SIG en de pubis, veroorzaakt door hormonale en mechanische factoren.
Osteopathisch gezien gaan we deze instabiliteit verder opentrekken dan alleen "rondom het bekken". De zwangere vrouw bevindt zich in een toe.stand van instabiliteit, zowel parietaal, visceraal, hormonaal, craniaal als uiteindelijk soms ook mentaal. Vermits het volume van de buik constant verandert,moet het lichaam telkens opnieuw een evenwicht zoeken. De behandeling valt dus niet weer te geven in een recept, noch te evalueren in grafieken, maar is een constant wisselspel.
Parietaal is het belangrijk dat we, rekening houdende met de mathematische lijnen, de op dat moment aanwezige "subluxaties" en/of blokkades zullen oplossen.
Visceraal mogen we vooral de invloed van het ligamentum latum niet vergeten, naast de algemene mobiliteit van uterus, diafragma thoracis en pelvinum.
Hormonaal kunnen we streven naar een beter evenwicht via onze craniale benadering (vnl. ter hoogte van het SSB), waarbij een normalisatie van de spanningsgraad van het tentorium van de hypofyse primordiaal is.
Het is belangrijk de zwangere te informeren over wat zich in haar lichaam voordoet, zodat ze inziet waarom rust (lichamelijk en geestelijk) en aktiviteit moeten afgewisseld worden, kortom opdat ze leert "te luisteren naar haar lichaam".
Via een aantal tips voor het dagelijks leven en stabiliserende oefeningen, kunnen we bijdragen tot het verzorgen van een dagelijkse correcte lichaamshouding en beweging.
Daarnaast blijft het bewustmaken tot een gezonde voeding belangrijk voor de algemene homeostasie.
Persoonlijk hoop ik, met dit werk, mensen te kunnen overtuigen dat de osteopathische begeleiding in de pre-en postnatale fase geen "luxebehandeling" is en dat "bekkeninstabiliteit" niet zomaar "hoort bij het zwanger-zijn".
|
|
|